De Crypte
Door:

Categorie: Korte verhalen
Geplaatst op 12 augustus 2017 | Bijgewerkt: 12 augustus 2017 om 18:41 uur.
Woorden: 1480 | Leestijd: circa 6 min.
|

Hij stond daar al eeuwen. Groots en imposant reikte hij boven de stad uit en deed de uitgebeitelde beelden op de torentrans verbaasd uitkijken over het stadsgewoel. De rijk versierde ar-cades, de sierlijke spitsbogen en galerijen hadden de kerk een grandeur gegeven die in de loop van de eeuwen alleen maar was toegenomen want, zoals zo vaak met oude gebouwen, was de tijd het gebouw tegemoet gekomen en werd de kerk alleen maar mooier en indrukwekkender. Vrolijk schitterde de zon tegen het kruis aan. Het leek de zon-nestralen even op te nemen en ermee te spelen, maar wierp ze daarna als vuurpijlen over de stad heen. Nadenkend over de symboliek van kruis en licht dronk ik het laatste restje limonade uit het glas en liet het ijsklontje langzaam door mijn mond rollen. Ik was net van plan om mijn plaatsje op het terras vrij te maken, toen ik hem zag. Hij viel gelijk op. Een langwerpig gezicht, hoog voorhoofd. Grote bril met een dik zwart montuur, een bruinleren aktetas in zijn hand. Had ik maar niet naar hem gekeken, want nu zag hij mij ook en besloot het vrijwel enige vrije stoeltje tegenover mij te nemen.
‘Is deze plaats vrij?’ Het aluminium stoeltje schraapte venijnig over de keitjes van het terras. Zijn stem paste bij zijn uiterlijk, hoog en nasaal.
‘Natuurlijk, gaat u gang. Ik was net van plan om weg te gaan.’
‘Oh, maar u hoeft voor mij niet te gaan hoor.’
Even keek ik nog naar de imposante oude kerk. Stenen vingers die naar de hemel wijzen, had ik eens gelezen. De zon had zich verplaatst waardoor de stralen nu net het kruis passeerden.
‘Gotisch, laat 15e eeuw,’ hoorde ik het mannetje zeggen. Ik keek het morsige ventje aan. Hij had zijn tas op zijn schoot gelegd en keek me uitnodigend aan blijkbaar zin in een conversatie.
‘U heeft er verstand van hoor ik. Verdiept u zich in oude kerken?’ Hij knikte nauwelijks zichtbaar.
‘Onder andere, onder andere. Laat ik het zo zeggen: ik ben breed georiënteerd. Ik verdiep me in veel dingen. Op dit moment ben ik bezig met mijn voorgeslacht. Ik heb daar tijd voor, ik maak geen deel meer uit van het arbeidsproces.’ Dit laatste verbaasde me niets en ik keek het mannetje nog eens aan. Hij was onrustig. Wiebelde heen en weer en kon nauwe-lijks blijven zitten.
‘Uw voorgeslacht… u bedoelt dat u bezig bent met stamboomonderzoek of zo?’
‘Nee, niet helemaal. Het is meer. Ik wil het u wel vertellen… nee, wacht, hebt u tijd. Dan zal ik het u laten zien, dat is veel beter. Komt u maar mee.’
Het mannetje dat nog maar nauwelijks zat, stond snel weer op en automatisch deed ik dat ook.
‘Kom, mee. We gaan naar de kerk.’ Hij liep voor mij uit – maar het was meer een soort huppelen – en we staken het plein over naar de kerk. Ik kon hem nu beter opnemen. Ik schatte hem ruwweg tussen de vijftig en zestig jaar. Hij was gekleed in een zandkleurige regenjas. Ondanks het stralende weer had hij een paraplu in zijn hand. Die heeft hij vermoedelijk altijd bij zich, dacht ik. Zijn lichaam was vreemd gebouwd. De schouders hoekig, hij liep een beetje gebogen.

Door de grote houten poort gingen we de kerk binnen. De koelte van de kerk werkte aangenaam. Ik keek rond en snoof de eeuwenoude protestante geuren naar binnen.
‘Kom, deze kant op’, riep het mannetje ongedurig. Hij duwde me vooruit, en leek vastberaden. We liepen langs de zijbeuk naar het koor van de kerk. Het klossen van onze schoenen klonk hol door de kerk, terwijl we langs de kerkbanken liepen naar het voorste deel van de kerk. Pas nu hoorde ik het orgel zachtjes spelen. Hij liep nu voor me uit naar een donker ge-deelte in de zijbeuk van de kerk. Ik zag een hekwerk met een bordje waarop ‘crypte’ stond.
‘Hier naar beneden.’
‘Naar de crypte?’
Hij zei niets, maar hijgde. Was het de lichamelijke inspanning of brachten de eeuwen hem tot vervoering? Ik duwde wat enge gedachten van me af en daalde het stenen trapje af. Langzaam verdween het straatgeroezemoes dat in de kerk nog te horen was en het werd steeds koeler. Hier was het stil. De kleine ruimte was slecht verlicht. Een crypte had voor mij altijd iets geheimzinnigs. De dood in de kelder van de kerk.

‘Kijk hier is het, dit wil ik u laten zien,’ hij praatte nu zachter en bleef bijna eerbiedig staan.
‘Wat is dat?’ Ik keek naar de grijze tombe.
‘Dat meneer, dat ben ik.’
Verbaasd keek ik op de oude graftombe en probeerde de ingekerfde letters te ontcijferen, maar deze waren nauwelijks lees-baar. ‘Dus dit bent u. U bedoelt te zeggen dat u hieronder ligt?’
‘Nee mijn beste vriend. Niet helemaal. Dit ben ik wel, maar ik was het eigenlijk. Je zou ook kunnen zeggen: wat daar ligt ben ik nu, maar dan in een andere vorm als ik nu ben. De mens als een resultante van zijn verleden. Wat hier ligt is natuurlijk slechts een lichaam, het gaat natuurlijk om de progressie van de ziel die voortleeft. Maar dat is misschien wat ingewikkeld. Gelooft u in reïncarnatie?’ Zo langzamerhand werd de situatie mij duidelijk. Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee meneer ik geloof in de wederopstanding van het lichaam.’
Mijn antwoord scheen hem even te verbazen.
‘Johannes Pieterzoon van Distel.’ Met zijn rechtervoet leunde hij op de tombe, ongeveer daar waar zijn schedel zich moest bevinden. Een gebaar dat niet paste bij de devotie die in zijn stem doorklonk.
‘Hoe is hij… hoe bent u gestorven?’
‘Ik was arts,’ antwoordde het mannetje niet zonder trots. ‘Tij-dens de pestepidemie heb ik honderden levens gered. De pest was uiteindelijk een bacteriële ziekte, ik had door dat je door goede hygiëne de ziekte kon voorkomen. Door enkele rebellen ben ik vermoord. Mes in de rug. Maar uit dankbaarheid heeft de bevolking me later in deze kerk begraven.’
‘Maar dan hadden ze wel een gedenksteen erop mogen zetten,’ zei ik gemaakt verontwaardigd.
‘Ja, ja nu u het zegt. Daar heeft u wel een punt.’ Hij leek even na te denken. ‘Maar dat is uiteindelijk niet zo belangrijk, het gaat toch om de ziel.’

Peinzend keek ik het mannetje aan, de discussie begon me te interesseren. ‘Als ik het goed heb is de reïncarnatie gedachte toch gericht op het leren van vanuit vorige levens. Het idee is dan toch dat je dan toch op een hoger niveau terugkomt? Maar als dat zo is. U was toen arts en nu niet neem ik aan en u ver-telde net zelf dat u niet meer in het arbeidsproces zit. Maar hoe verklaart u dat dan?’ Mijn vraag leek hem nu te verbazen en hij raakte zichtbaar in de war.
‘Wacht ik heb nog wat. Ik zal u nog iets laten zien.’
Hij pakte zijn aktetas en zette deze met een doffe plof op de graftombe terwijl hij er een voorwerp uit haalde. Verschrikt deed ik een pas achteruit.
‘Het mes, hijgde ik. Dat is zeker het mes!’
‘Precies ik vond het thuis op zolder. Dit moet het mes geweest zijn. Hiermee ben ik vermoord.’ Terwijl hij dit zei zwaaide hij met het mes in een boog door de lucht, ‘neergestoken, schreeuwde hij. ‘Van Distel, ze hebben je zo neergestoken.’ Hij liet het mes een paar keer boven zijn hoofd cirkelen. Zijn schrille stem werd door de eeuwen vermenigvuldigd. Hij zwaaide nog een keer en liet het mes in een denkbeeldige rug verdwijnen. Ik had me inmiddels een stukje van het verwijderd en stond nu dicht bij het verlossende trappetje, klaar om er vandoor te gaan. Maar hij werd weer rustig, veegde het speeksel van zijn mond en keek stil naar de tombe.
‘Het spijt me, ik liet me wat gaan.’
‘Geeft niet, zei ik. Uw ontdekkingen zijn nogal aangrijpend voor u. Zullen we maar naar boven gaan?’ Het mannetje knikte timide. Ik had het gevoel nu de leiding te hebben en liet hem nu voor gaan, naar boven. ‘Hoe laat is het zei hij, niet zozeer als een vraag, want hij keek zelf op zijn horloge. ‘Zie ik moet maar weer eens verder, ik heb een afspraak met mijn psychiater.’
Vlug liepen we door de kerk naar de uitgang. Het zonlicht wenkte.
‘Uw psychiater,’ vroeg ik ‘gelooft hij ook in reïncarnatie?’
Het mannetje knikte, we waren nu bij de uitgang van de kerk gekomen. Vertrouwelijk legde hij zijn hand op mijn arm.
‘Weet u, soms denk ik dat hij mijn moordenaar was.’
Verbaasd liet hij me achter en verdween over het kerkplein. Zijn schouders hoekig, zijn rug gebogen.

 



3 reacties

  1. Hoi! Leuk dat je je verhaal opnieuw hebt gepost!
    Tip: Als je wilt dat medegebruikers erop kunnen reageren kun je die optie per verhaal inschakelen op de “Bewerken”-pagina. Gewoon het vinkje bij “Reacties toestaan” aanvinken.
    Groet,
    Moderator Admin

  2. Mooi! Ik vind het een erg intrigerend verhaal. Het slot maakt het ook heel mooi af. Ik hou wel van dit soort verhalen, zeker ook de manier waarop het beschreven is.

    Het viel me op dat er wat woordjes afgebroken zijn. (bijv. ar-cades) Komt misschien omdat je het verhaal gekopieerd hebt vanuit een programma waar die woordjes net aan het eind van een zin stonden?
    En op sommige plekjes miste ik een aanhalingsteken.
    ‘Geeft niet, zei ik. Uw ontdekkingen zijn nogal aangrijpend voor u.
    Maar dat zijn maar kleinigheidjes.

    Ik ben benieuwd naar meer schrijfsels van je!

    En: Welkom op bloCnoot.

  3. Welkom hier, Scriben! Fijn dat ik je verhaal nu wel kan lezen.

    Fascinerend verhaal, dit. Mooi gedaan! Je beschrijft die kerk precies goed, maar ook andere zaken die maar kleine details lijken, beschrijf je precies op het goede moment en met de juiste woorden, zoals zo'n stoeltje dat venijnig (briljant!) over de keitjes schraapt.

    Geen flauw idee hoe je tegenover tips op het gebied van taalfoutjes staat? Geef maar gewoon aan. Een aantal van ons hier is gewend de ander gewoon een lijstje voor te schotelen met ontdekte foutjes, zodat de schrijver dat veranderen kan. Daar voelen we ons prettig bij, maar als je dat liever niet hebt: eerlijk aangeven.

 
|

Geef een reactie