Het goudschip
Door:

Categorie: Korte verhalen
Geplaatst op 12 september 2017 | Bijgewerkt: 12 september 2017 om 08:55 uur.
Woorden: 796 | Leestijd: circa 4 min.
|

Ik wil proberen een waar gebeurde geschiedenis te beschrijven. Het zal een kort verhaal moeten worden, van enkele hoofdstukken. Hieronder het eerste gedeelte. De ik-persoon is een jongen van een jaar of 15, in de volgende hoofdstukken zal hij zich ontwikkelen tot een journalist die de geschiedenis verder onderzoekt. Willen jullie hier eens op reageren? Is dit een werkbaar concept?

 

Oom Jacob snoof met zijn neus tegen de wind in. Dat deed hij altijd als hij het weer peilde, alsof hij opkomend slecht weer kon ruiken. ‘Ze moeten opschieten, het wordt straks nog brakkig.’ De botter schommelde rustig en ik voelde nauwelijks meer hoe mijn lichaam mee bewoog op de regelmatige deining van de zee. Ik begreep wat oom Jacob bedoelde, want aan de horizon zag ik de lucht onregelmatiger worden en de wind leek te veranderen. We waren vroeg in de ochtend vanuit Den Helder vertrokken. En zoals vaker, ging ik ook nu weer oom Jacob helpen met vissen. Maar vandaag was het anders. Hendrik, de vissersknecht was er niet en in plaats van Hendrik kwamen andere mannen aan boord.
‘We gaan op goudjacht,’ bromde oom Jacob.
Ik zag hoe vijf mannen aan boord kwamen met allerlei materialen. Eén van de mannen – oom Jacob noemde hem meneer Visser – had iets aangewezen op een zeekaart. Daarna waren we los gegaan en hadden koers gezet naar het oostelijk deel van Texel. Daar werd de botter stilgelegd en ik zag dat er een boei in zee lag. Er was dus blijkbaar al eerder gezocht. Vanuit de houten stuurhut konden we de verrichtingen van de mannen op het dek volgen. Meneer Visser had duidelijk de leiding. Hij was een opvallende man. Niet alleen door zijn kalend hoofd met een spitse neus. Hij viel vooral op door zijn lange regenjas. Ik zag hem druk praten en gebaren, maar kon er niets uit opmaken. De andere mannen hadden enkele lange metalen buizen in elkaar geschroefd en deze voorzichtig in het water gelaten. ‘Ruim twintig meter diep,’ hoorde ik zeggen.
‘Oom Jacob, gelooft u echt dat ze goud zullen vinden?’ Oom Jacob bleef voor zich uit kijken naar de mannen op het dek en leek na te denken over mijn vraag.
‘Meneer Visser is er vast van overtuigd, hij zegt het al jaren. Voor de oorlog was hij er al mee bezig. En nu de oorlog voorbij is en de zee eindelijk vrij is van mijnen, is hij voortdurend aan het zoeken.’
‘Heeft meneer Visser u gevraagd om de botter te gebruiken?’
Oom Jacob haalde z’n schouders op.
‘Weet je, als er inderdaad goud is, dan levert dat veel geld op. Er wordt gesproken over 75 miljoen gulden. Ik weet niet of dat waar is. Ze zeggen dat er ook veel boter aan boord was, maar dat zal niet veel geld opleveren. Ik hoorde de aarzeling in zijn stem. ‘En dan is er nog de vraag…hoe krijg je het allemaal naar boven?’
Ik knikte en vroeg niets meer.
‘En er is nog een ding, jongen.’ Oom Jacob fluisterde het bijna. ‘Als er goud boven water komt, hoe gaat dat dan verdeeld worden. Let op mijn woorden: er komt ruzie van.’ Ik dacht te begrijpen wat oom Jacob bedoelde en had hem willen vragen waarom hij zich dan had laten inhuren door meneer Visser, maar ik durfde niet verder te vragen. We keken toe hoe de metalen staven in het water werden gelaten. De mannen hadden het over ‘boringen’, maar het viel blijkbaar niet mee op de bodem te komen. De opkomende vloed maakte het moeilijk de staven verticaal te laten zakken. Na ongeveer een uur werd Oom Jacob steeds meer ongerust over het weer. De deining werd steeds groter en de wolken grimmiger. Maar ook de stemming van de mannen leek te veranderen. Meneer Visser leek steeds meer opgewonden te worden. Telkens als een metalen staaf omhoog kwam bestudeerde hij deze aandachtig. Even later zagen we het groepje mannen druk praten. Er lag iets op het dek dat blijkbaar afkomstig was uit de metalen staven. Oom Jacob en ik keken elkaar even aan. ‘Hebben ze goud gevonden?’ vroeg ik. ‘Kom, zei oom Jacob, ‘we gaan kijken.’
Wat op het dek lag was geen goud. Meneer Visser had met zijn vingers erin geprikt en eraan geroken. Hij keek ernstig. ‘Dit mijne heren,’ zei meneer Visser, ‘dit is cacaoboter. Cacaoboter heeft de eigenschap redelijk goed te blijven in zeewater. Maar wat belangrijker is: deze boter was een deel van de lading.’
‘Mijne heren,’ zei meneer Visser plechtig. ‘Dit betekent niets meer en minder dat we de Johanna Maria hebben ontdekt.’
Oom Jacob keek me even aan en knipoogde. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan vertrekken.’

 



3 reacties

  1. Ik vind het spannend, tot dusver! Heel benieuwd hoe het verder zal gaan, dus het lijkt mij wel werkbaar… 

    O ja. Ik ben erg benieuwd naar het ‘waar gebeurd’-element en de connectie met jou als de schrijver van dit verhaal. Is dit een familiegeschiedenis, of is er een openbare bron waarin deze gebeurtenissen terug te vinden zijn?

    En… schrijf je dit als hobby of voor een wedstrijd of een opleiding — of vanuit nog een andere motivatie? Gewoon nieuwsgierig, ikke. =)

  2. Interessant. Ook ik ben erg benieuwd naar het waar-gebeurde.

    De laatste zin kwam voor mij eerst een beetje uit de lucht vallen, maar na nog een keer lezen, begrijp ik dat oom Jacob wil vertrekken vanwege het weer. Ik zou me namelijk ook heel goed kunnen voorstellen dat hij zou willen blijven, nu ze de goede plek gevonden hebben!

 
|

Geef een reactie