Door:

Categorie:
Geplaatst op 17 juni 2017 | Bijgewerkt: 17 juni 2017 om 11:38 uur.
Woorden: 1467 | Leestijd: circa 6 min.

In de stad kon het ’s nachts doodstil zijn. Op het gesnurk van haar vader en heel soms het geknaag of getrippel van een muis na, was er in huis niets te horen. En ook daarbuiten was het meestal stil, of er moest net een kerkuil in de buurt vliegen. Maar in het Grijze Woud bleven de geluiden maar komen. Zo stil mogelijk lag Beara op Fyra’s rug, ineenkrimpend bij elk vreemd geluid dat ze om zich heen hoorde. Het duurde even, toen begonnen haar ogen te wennen aan het donker en kon ze hier en daar vaag contouren van bomen onderscheiden. Het leek wel of het wat minder mistig werd. Maar wat er over de bodem kroop, dichtbij of veraf, kon ze niet zien. Zouden er wolven in dit bos leven? Of… nog erger? De dienaren van de vijand hielden meer van donker dan van licht. Wat als er een groep orks door het bos zou komen? Die zouden haar vast en zeker…
“Nee! Niet aan denken. Sterk zijn en sterk blijven”, fluisterde ze heel zacht tegen zichzelf. Kapitein Faramirs mannen zouden zich niet zo laten kennen. Wat zou Heer Boromir doen als hij in zo’n situatie terechtkwam? Die zou sowieso al niet zo dom zijn geweest om te gaan liggen slapen voor hij de hut had bereikt… wist het stemmetje in haar hoofd feilloos de vinger op de zere plek te leggen. Ze probeerde het te negeren en sloeg haar armen nog iets steviger om de paardenhals heen.
Vlakbij klonk ineens geritsel. Beara hield haar adem in. Was het een vogel, of een konijntje? Of iets groters? Het geluid hield op en bleef weg. Langzaam durfde ze weer verder te ademen. Ze voelde zich kwetsbaar, maar op Fyra’s rug waande ze zich nog een beetje veilig. Ze zou proberen hier de hele nacht doodstil te blijven liggen, wachtend op het eerste licht van de dag, of op dat van de maan, als de mist nog zou verdwijnen.

Hoelang ze zo lag, wist ze niet precies. Ze was zich akelig bewust van de voortdurende spanning die haar al haar energie kostte. Haar lichaam werd steeds kouder en stijver en was nat van de mist. Ze had nog steeds honger en dorst maar durfde niet overeind te komen om de zadeltas te openen.
Keer op keer klaagde het stemmetje in haar hoofd haar aan. Hoe had ze ooit kunnen denken dat dit een goed plan was? Hoe had ze gedacht zich te redden, zo alleen? Vader en Boromir waren zelden ’s avonds buiten de muur geweest. Daar had ze nooit zoveel achter gezocht, maar nu… het was vast niet zonder reden geweest. En als zij het al niet wilden, waarom was zij dan zo naïef dat ze meende het wel te kunnen? Ze woonden dicht bij het land van de vijand, wie weet wat er ’s nachts voorbijtrok door het bos. Tien jaar geleden, toen ze nog mee op jacht ging, was dit bos best veilig geweest. Dat dacht ze tenminste. Ze was een kind geweest, ze had niet op gevaar gelet. Maar er was een hoop veranderd in de tussentijd… Gisternacht, in haar kamer, had ze gesnakt naar het bos, naar de vrijheid van toen en naar rust. Maar het bos kon haar die rust en die vrijheid niet meer geven.
Toen een zwak, zilveren schijnsel voorzichtig haar omgeving iets verlichtte, kon ze wel huilen van opluchting. De maan! Ongemerkt was de mist verder opgelost en was het wolkendek boven haar gebroken. Achter de laatste flarden kwam steeds vaker een bleke, grote maan tevoorschijn. Ingespannen spiedde ze om zich heen, tot ze er zeker van was dat er in haar nabije omgeving geen gevaar leek te schuilen. Nu kon ze in ieder geval even wat drinken en eten en haar benen strekken. Zo stil mogelijk liet ze zich van de paardenrug afglijden. Stijf als ze was van het lange stil zitten en niet gewend aan het gewicht van haar maliënkolder, verloor ze bij het neerkomen haar evenwicht en belandde met een plof op de bosgrond. Met ingehouden adem bleef ze zitten, luisterend of haar val was opgemerkt. Niets. Op het bonzen van haar hart na bleef het rustig om haar heen. Heel langzaam kwam ze overeind. Op dat moment kraakte er iets in de bosjes dichtbij. Geschrokken dook ze in elkaar, toen vermande ze zich en greep het lemmet van het zwaard dat ze bij zich droeg. Iedere vezel in haar lichaam was gespannen terwijl ze afwachtte wie of wat op haar afkwam. Het ritselen werd luider. Langzaam trok Beara het zwaard tevoorschijn en hield het klaar om toe te slaan. In haar ooghoek bewoog iets zwart met wits… Net op tijd herkende ze de onhandige bewegingen van een das, die kennelijk gewoon op zoek naar eten was. Met een diepe zucht stak ze haar zwaard weer in de schede en verborg ze haar gezicht in Fyra’s manen. Haar lichaam begon onbeheersbaar te trillen.
Kijk nou naar jezelf… Het stemmetje was terug. Kijk nou naar jezelf! Dacht je nu werkelijk dat jij het verschil kunt maken voor Gondor? Dat je iets voorstelt? Je vader heeft gelijk. De oorlog is niks voor vrouwen die bij het minste of geringste als een riet staan te beven. Die impulsieve beslissingen maken zonder over de gevaren na te denken. Bespottelijk. Je bent het niet waard om je land te dienen.
Beara kromp ineen terwijl het stemmetje doorging. Jij wilde niet vluchten, jij was nergens bang voor. En nu dan? Je dacht alleen maar aan jezelf. Je bent geen haar beter dan diegenen die de stad verlaten. Die handelen tenminste nog vanuit verstand.
“Nee!” probeerde ze de stem het zwijgen toe te brengen. Ze balde haar vuisten, maar voelde dat er geen kracht van uitging. Zwakkeling!
“Het gaat zo niet, Fyra…” fluisterde ze de merrie toe. Ik ben dom geweest. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik mezelf wel redden kon. Zelfs hier kan ik niet tot rust komen… Ze schudde haar hoofd en liet haar schouders hangen. Wat zou ze bespot worden, als ze nu met hangende pootjes terugkeerde naar de stad. Wat zouden haar ouders kwaad zijn. Haar wangen werden rood van schaamte als ze daarover dacht.
“Dan maar hier blijven… of ik nu hier sterf, of in een gehucht bij oom en tante…” fluisterde ze nog heel even koppig. Maar diep vanbinnen wist ze dat ze de moed niet kon opbrengen om hier een tweede nacht door te brengen, zelfs niet als ze de hut bij daglicht vinden zou. Ze opende de zadeltas voor een paar slokken water. Trek had ze niet meer. Daarna steeg ze op en wachtte. De angst was een klein beetje weggeëbt en had gezelschap van een moedeloze berusting gekregen. Als de zon opkwam, dan zou ze richting het oosten gaan, zo snel mogelijk weg uit het bos en terug naar de weg. Terug naar de stad. Ze had geen andere keuze.
Zacht bleef ze Fyra strelen, maar die was onrustig en schraapte schel hinnikend met haar hoeven. Was het ongedurigheid, omdat ze al zolang stil stonden? Werd de last zo langzamerhand te zwaar? Of voelde Fyra iets wat zij zelf nog niet waarnam?
Onzeker keek Beara rond wat er zijn kon. Plotseling schoof er – heel kort maar – een schaduw voor de maan. Ze keek omhoog en zag iets dat een angst in haar lichaam deed opkomen die ze nog niet eerder had gevoeld. Heel in de verte klonk een schreeuw die haar adem deed stokken. Er was iets in de lucht, iets groots, iets duisters. Beara gooide zich in blinde paniek opnieuw voorover op de paardenhals. Te laat voelde ze de reactie in het grote lichaam onder zich. Fyra gaf een bloedstollende angstschreeuw en begon te steigeren en te bokken. Een paar tellen lang wist Beara zich vast te houden aan de stugge manen terwijl haar voeten de stijgbeugels zochten. Maar er was geen houden aan. Met een laatste bok wist de merrie haar van haar rug te gooien. Op het moment dat Beara op de grond smakte, hoorde ze Fyra nog eenmaal angstig hinniken. Daarna klonk het geroffel van galopperende hoeven, die zich snel van haar verwijderden.
“Fyra nee! Kom terug!”, schreeuwde Beara harder dan ze in dit donkere bos wilde. Haastig krabbelde ze overeind en deed een poging achter de merrie aan te rennen. Al na een paar passen struikelde ze en belandde ze opnieuw plat op de grond. Even was ze te duizelig om direct weer op te staan. Ik had ook wat moeten eten… oh nee! De zadeltas! Ingespannen luisterde ze of ze nog ergens iets hoorde, of Fyra misschien nog in de buurt was en ze erachteraan kon. Maar ze hoorde niets en ze zag niets. Haar rijdier was verdwenen.



9 reacties

  1. Komt voor elkaar, hoor! 

    Misschien duurt het alleen eventjes voordat ik tijd en rust vindt om te lezen, maar het verhaal loopt vast niet zo snel weg als Fyra…

  2. Zo. Adembenemende post, letterlijk, hoor! 

    Tjonge, het zit Beara niet mee allemaal. 

    Super geschreven en heel boeiend! 

    Inhoudelijk heb ik geen opmerkingen, behalve: ja… de Zwarte Ruiters… 

     

    Wèl een paar kleine schrijfpuntjens, om misschien even naar te kijken. 

    Zo stil mogelijk liet ze zich van de paardenrug afglijden.

    Persoonlijk vermoed ik: Ze liet zich *ervanaf glijden* — splitsing dus vóór ‘glijden’: ze liet zich van de paardenrug af glijden.

    ‘Afglijden’ heeft volgens mij meestal betrekking op ‘aan lager wal geraken’, heeft dan meer met moraliteit en morele keuzes te maken, en met levensstandaard…

    …van het lange stil zitten…

    ‘Stilzitten’ (aan elkaar) is volgens  dan weer wèl een eigen infinitief, dus eigen werkwoord in de betekenis die jij hier gebruikt. 

    Lastig, hè? Vind ik óók, hoor! 

    …toen vermande ze zich en greep het lemmet van het zwaard dat ze bij zich droeg.

     

     

    kiss

    Ja… voor een dergelijke actie mag je je wel even vermannen, ja…

    Tenzij het zwaard een ongevaarlijk houten oefenzwaard is (niet waarschijnlijk), lijkt dit mij niet zo’n héél strakke actie van Beara. Dat op zich is niet bijzonder verwonderlijk — gezien het verhaal tot dusver — maar aangezien je niets over pijn en bloed vertelt in de daaropvolgende zin, ga ik ervan uit dat je wellicht iets aan de volgende omschrijving zult hebben:

    « Gevest

    Het gevest is het deel dat houvast biedt, en bestaat typisch uit:

    de greep, waar de hand past

    de pareerstang (stootplaat) is een metalen stang tussen greep en kling, dat gebruikt kan worden om het wapen van de tegenstander op te vangen. Soms is dit onderdeel schijfvormig, soms ontbreekt het. De pareerstand vindt zijn oorsprong in het enkelhandig zwaardvechten tegen een schild. Zonder deze stootplaat zou een slag tegen een schild namelijk de handen van de aanvaller beschadigen.

    de pommel (knop) bevindt zich onderaan het gevest. Hij heeft verschillende functies: het uitbalanceren van het zwaard, voorkomen dat de hand van de greep glijdt, extra houvast voor de andere hand en soms ook als bevestiging van de kling aan het gevest. Tevens kon de pommel met behulp van bepaalde technieken gebruikt worden om klappen mee uit te delen. Niet alle zwaarden hebben een pommel.

    Kling

    De kling is het blad (lemmet) van het zwaard en is steeds van metaal (staal) gemaakt.

    de punt is het bovenste, puntige gedeelte. Sommige zwaarden die enkel worden gebruikt om te houwen, hebben geen punt.

    de snede is de scherpe kant van het zwaard. Dubbelzijdige zwaarden hebben een snede aan beide zijden van de kling.

    de rug is bij enkelzijdige zwaarden de kant die niet scherp is.

    de geul is een ondiepe uitsparing aan de zijkant in de lengte van de kling. Het dient in de eerste plaats om gewicht te besparen, maar heeft wellicht ook een esthetische waarde. De meeste zwaarden hebben geen geul of één geul, sommige hebben er twee.

    onderaan de kling, boven de pareerstang, zit soms een ongescherpt deel, het ricasso. Hier wordt vaak de stempel van de maker gezet. Bij tweehandige zwaarden is dit onderdeel soms extra groot en met leder bekleed om houvast te geven aan de andere hand.

    de angel is het niet-zichtbare deel onderaan de kling, dat voor de verankering in het gevest zorgt. »

    (bron: Wikipedia)

    Disclaimer: foutieve toepassingen van onterechte kleine letters zijn getrouw overgenomen van de bron. 

    Ik ben vandaag te lui om Wikipedia te gaan zitten bewerken. 

     

    Maar, samenvattend: VERDER VERDER VERDER!!! 

  3. O ja, nog één minuscuul puntje: als ergens een kerkuil *vliegt*, hóór je dat nagenoeg niet, tenzij tyto alba actief een geluid *maakt* — het is tenslotte een uil en al zijn die ontworpen vóórdat we de stealthfighter kenden, hun sluipvlucht is beduidend stiller en onopvallender dan die van de F/A-17.

    Misschien zou je hem *zien* — waarschijnlijk zonder het schijnsel als een uil te herkennen. Er zijn behoorlijk goede redenen om aan te nemen dat sommige kerkuilen over actieve luminescentie beschikken.

  4. Allereerst:  

    # stilzitten en af glijden: dat blijven mijn zwakke punten, stilzitten moet ik overigens wel weten want daar hebben we bij Queeste nog eens een hele discussie over gehad en toen had ik het juist wel als 'stilzitten' geschreven. Hoe dan ook: ik vind het nog steeds moeilijk wanneer sommige dingen aan elkaar moeten en wanneer niet…

    # lemmet: haha, dat moest uiteraard het gevest zijn. Even een kronkeltje in mijn hoofd…

    # kerkuil: nee, die hoor je niet vliegen, dat klopt, ik bedoelde vooral de schreeuw van een kerkuil. Zal eens zien of ik dat beter kan omschrijven zonder dat het wel erg uit de toon valt.

    # VERDER: ik doe mijn best! Blij dat je het leuk en spannend vindt!

  5. ‘Stil zitten’ is ergens zitten zonder een geluid te maken.

    ‘Stilzitten’ is ergens zitten zonder te wiebelen.

    heart

    Dus in dit geval zou ik het bij de aaneengeschreven versie houden: ze was er immers stijf van geworden. 

 

Geef een reactie