Door:

Categorie:
Geplaatst op 7 juli 2017 | Bijgewerkt: 7 juli 2017 om 09:51 uur.
Woorden: 1612 | Leestijd: circa 7 min.

Het eerste deel van hun tocht probeerde Beara haar begeleiders nog een paar keer te overtuigen van haar onschuld. Ze merkte algauw dat ze zich die moeite kon besparen: de mannen hadden geen boodschap aan haar pleidooi en zij had al haar energie nodig om hen bij te kunnen houden. Ondanks het feit dat ze zich redelijk verdekt voortbewogen, hielden de verkenners het tempo er aardig in. Zij waren gewend aan lange veldtochten, Beara was veel minder getraind. Binnen een uur voelde de jonge vrouw haar voeten branden. Ook het gebrek aan slaap die nacht begon haar parten te spelen: ze voelde zich vreemd licht in haar hoofd en haar oren suisden. De jongste van de twee mannen leek medelijden met haar te hebben. Zo af en toe gaf hij haar wat water te drinken en vroeg hij of het nog wel ging. Maar Beara weigerde toe te geven dat ze eigenlijk niet meer kon en gaf geen kik, zelfs niet toen ze tot tweemaal toe van vermoeidheid struikelde en pijnlijk op haar handen knieën terecht kwam.
Na ruim een uur zag ze voor het eerst de Anduin als een lang, donker lint door het landschap slingeren. Zo ver van huis was ze niet vaak geweest, in ieder geval niet richting het noorden. De rivier boezemde ontzag in, maar gaf haar ook een vreemd, vrij gevoel, net zoals het bos dat had gedaan. Als heer Faramir haar straks zou vrijpleiten, misschien dat ze dan een poosje in de buurt van het water kon blijven? Die gedachte bleef maar even hangen. De mannen hadden het net nog over dat wezen in de lucht gehad en hoe dat ook over hen was heen gevlogen. Het was vanuit het oosten gekomen, over de rivier. In het bos kon ze zich nog voor zo’n vreselijk monster verstoppen, in het veld zou dat moeilijker gaan. Ze rilde en probeerde haar gedachten te verzetten, terwijl ze haar voeten dwong om verder te gaan. Ze zou zich niet laten kennen, straks, bij heer Faramir. Ze zou hem met een opgeheven hoofd en een rechte rug tegemoet treden. Haar belagers zouden weten wie ze meegenomen hadden. Beara, de dochter van Hirgon! Dienares van heer Faramir en van de stadhouder! Niet zomaar een spionne uit welk land dan ook…

Nog verder moesten ze. Beara probeerde zinnen te formuleren, een betoog te vormen om zich straks goed te kunnen verdedigen. Maar steeds vaker merkte ze dat ze de draad van haar eigen verhaal kwijtraakte. Het irritante gesuis in haar oren werd luider. Het vulde haar hoofd en maakte normaal denken onmogelijk. Iedere stap deed zeer nu. Haar lichaam schreeuwde om rust.
Net toen het suizen zijn hoogtepunt bereikte, kwamen ze bij een kleine kom in het landschap aan, omgeven door hoog struikgewas. De oudste verkenner hield halt en keek om zich heen.
“Hier wachten we”, zei hij tegen zijn collega. “Kom, we verbergen ons tussen die bosjes daar.” Hij leidde de twee anderen de kom in, tot ze bij een paar wat grotere struiken kwamen.
Eindelijk… Beara liet zich ongegeneerd op de grond vallen en probeerde op adem te komen. Het suizen stopte niet, maar werd een kolken en bruisen dat haar overspoelde. Met gesloten ogen wachtte ze tot het minder zou worden. Ze merkte pas dat ze niet langer alleen waren toen een bekende stem vlakbij door het lawaai heen wist te dringen.
“Wat heeft dit te betekenen? Arthad? Mablung? Spreek op!”
“Kapitein Faramir”, begon de oudste van de twee.
Faramir? Mijn heer…
Zo goed en zo kwaad als het ging, krabbelde Beara iets overeind. Het ruisen bleef, maar werd iets minder. Ze nam een diepe hap lucht en probeerde te herinneren wat ze ook al weer had willen zeggen.
De verkenner was haar voor.
“Deze vrouw vonden we vlakbij Amon Dîn, kapitein. Ze kwam uit het Grijze Woud vandaan. Ze zegt dat ze uit Minas Tirith komt en dat u haar kent, maar ze wilde niet vertellen wat ze in het Woud deed of hoe ze uit de stad is gekomen. We wilden geen enkel risico nemen.”
Op haar knieën op de harde grond zag Beara de peinzende blik van haar meester.
Hij herkent me niet… ik moet er vreselijk uitzien na afgelopen nacht en die paar keer vallen. Ze deed haar helm af en veegde over haar gezicht.
“Heer Faramir…” stamelde ze.
Ze zag zijn wenkbrauwen omhooggaan.
“Beara?”
Ze boog haar hoofd en staarde naar zijn voeten.
De jonge kapitein knikte zijn twee verkenners toe.
“Het is goed. Ik ken haar, ze dient mijn vader in het paleis.”
Nu zal hij door zijn knieën gaan en mijn verwondingen zien en me laten gaan…
“Waarom ben je hier? Is er iets gebeurd in de stad? Heeft mijn vader je gezonden?”
De stem bleef streng en schijnbaar onbewogen. Beara keek weer op en zag de gespannen blik in haar meesters ogen. Ze bloosde.
“Nee mijn heer. Uw vader heeft mij niet gezonden.”
“Waarom heb je je post dan verlaten, Beara? Waarom ben je zo gekleed de stad uitgegaan? Wat deed je in het Grijze Woud? Ben je daadwerkelijk een spionne?”
Ontzet keek Beara de kapitein aan.
“Nee, nee! Ik…” Even wist ze niet wat ze moest zeggen. Hij dacht dat ze haar plicht verzaakt had. Zij, die zo graag haar land wilde dienen!
“Ik wil mijn post niet verlaten, heer! Ik wil juist klaarstaan, voor Gondor. Ik wil meestrijden! Maar mijn vader wilde me wegsturen, naar Lossarnach. Ik wil niet als een vluchteling afwachten wat er gebeurt. Ik wil mijn land dienen, sterven voor mijn stadhouder! Ik moest de stad uit, voor ze me konden wegsturen! Alleen vannacht sloeg mijn paard op hol, toen dat vreselijke wezen over kwam. Ik ben gevallen en raakte de weg kwijt…”
Heel even leek Faramirs blik te verzachten. Toen kneep hij zijn ogen tot spleetjes, zuchtte en schudde zijn hoofd.
“Je vader is een wijs man, Beara. Het was verstandig geweest hem te gehoorzamen. De oorlog is geen plek voor vrouwen.”
Deze woorden had ze al eerder gehoord, maar ze waren opnieuw als een klap in haar gezicht.
“Laat mij dan teruggaan, naar de stad”, antwoordde ze schor. “Draag mij op om in het paleis te dienen en niet weg te hoeven.”
Faramir schudde zijn hoofd.
“Al zou ik het willen, dan nog kon ik dat niet, Beara. Het is niet veilig…”
Hij zag dat zij opnieuw tegen hem in wilde gaan en maakte een afwerend gebaar met zijn hand. “Kind, je weet niet half in wat voor strijd je verwikkeld bent geraakt. Je kunt niet zomaar terug naar de stad zonder escorte. Maar ik heb mijn manschappen hier nodig. Ik kan niemand met je meesturen. Daarnaast hebben we maar een paar paarden op Caïr Andros en die moeten daar blijven, voor noodgevallen. Je brengt me in een lastige positie.”
“Ik ben geen kind!” wilde Beara uitroepen, maar haar stem weigerde. De moedeloosheid van die nacht overviel haar opnieuw. Ze liet haar hoofd voorover zakken en haalde haar schouders op.
“Het geeft niet. Ik ga wel alleen. Ik wil u niet tot last zijn.” Het kon haar niet schelen of het veilig was of niet, of wie ze onderweg tegen zou komen.
Plotseling voelde ze een warme, stevige hand op haar schouder. Faramirs stem klonk nu heel dichtbij.
“Nee Beara. Ik respecteer en bewonder je vader en ik zou niet willen dat ik zijn dochter regelrecht op het gevaar afstuur zonder hulp of begeleiding. Ik zou hem niet onder ogen durven komen als ik later hoor, dat jij onderweg overvallen bent omdat ik je alleen heb laten gaan. Ik heb geen andere keuze dan je met ons mee te nemen.”
Er vlamde er iets van hoop in Beara op en ze keek haar meester verwachtingsvol aan. Zou ze dan toch mogen strijden? Zou ze op een eervolle manier tot het einde door mogen gaan?
“Arthad hier heeft zich de afgelopen dagen goed bewezen,” ging Faramir verder.
Beara volgde de blik van de kapitein en zag dat de jongste van haar twee bewakers verrast opkeek.
“Ik ga hem hard nodig hebben, de komende dagen. Je kunt zijn taak overnemen, in de veldkeuken. Er zal niet veel tijd zijn om te eten, maar we hebben eten nodig. Jij zult het eten bewaren en bewaken, en voor ons bereiden. Arthad zal je waar mogelijk en waar nodig bijstaan.” Faramir draaide zijn hoofd weg en knikte in de richting van de rivier. “Rust nu. Over een paar uur valt de schemer in, dan zullen we de rivier oversteken en ons bij de rest van het leger voegen. Zij wachten op het eiland op ons. Wij zijn de laatste groep.”
Hij wachtte Beara’s reactie niet af, maar draaide zich om en wenkte Mablung om met hem mee te lopen.
Een koude adem blies het vlammetje van hoop in Beara’s hart onverbiddelijk uit.
Koken. Dienen. Achterblijven als anderen gaan. Ben ik dan nergens anders goed voor?
Ze had de energie niet om op te springen en de kapitein tegen te spreken. Er sprongen tranen van frustratie en woede in haar ogen. Maar ze wist ook dat ze geen keuze had. Dit was een rechtstreeks gevolg van haar eigen, onbezonnen actie. Zij die zo graag wilde strijden, was letterlijk en figuurlijk op haar gezicht gegaan. Zij die alles wilde geven, was al kapot na een veldtocht van twee uur. Ze mocht blij zijn dat ze niet weg hoefde. Dat er toch een taak voor haar was. Maar op dit moment wist ze niet goed wat ze erger vond, moeten vluchten of slechts op de achtergrond het vuile werk van anderen op te moeten knappen.



9 reacties

  1. …haar handen knieën terecht kwam.

    Daar mist een woordje.

    En ik word me er nu pas echt van bewust dat jouw hoofdstukken helemaal geen titels hebben. 

    Nu zal hij door zijn knieën gaan en mijn verwondingen zien en me laten gaan…

    Ik ben natuurlijk niet zo op de hoogte van Tolkiens wereld, maar ik was wel even verbaasd over dat 'door zijn knieën gaan'. Beara is maar een 'gewoon' dienstmeisje, toch? Dan zal ze zelf toch ook niet verwachten dat heer Faramir door zijn knieën gaat om haar verwondingen te zien?

    Zeker niet als je ze staand ook gewoon kan zien. 

    Heel fijn dat ze nu in ieder geval niet meer alleen is. Ben benieuwd naar het vervolg!

     

  2. Hm, goeie vraag daar. Ik had zeker niet verwacht dat hij 'op' zijn knieën zou gaan, Anne, maar ik zag het ook weer niet figuurlijk zoals jij het leest, Quizzy. 

    Zij zit op haar knieën nu en heeft haar hoofd gebogen. Vanuit zijn staande positie kan Faramir dus niet goed zien hoe zij eraan toe is. Dat zou een reden kunnen zijn waarom hij, ondanks haar positie, toch iets door zijn knieën gaat (niet op zijn knieën dus) om te zien hoe het met haar gaat. En nee, een hooggeplaatst iemand zal dat niet zomaar doen, maar als er sprake is van verwonding dan zou je je kunnen voorstellen dat de rangen wel wegvallen. Een kapitein die ziet dat zijn jongste soldaat ernstig gewond op het veld ligt, zal die waarschijnlijk ook niet zomaar laten liggen omwille van zijn rang.
    Maar wat ook meespeelt vanuit Beara's perspectief is dat zij verwacht dat hij toenadering zoekt omdat zij – zo hoopt ze – in zijn ogen meer is dan zomaar een dienstmaagd. Ze snakt naar een beetje vriendelijkheid en (h)erkenning na wat haar is overkomen. 
    Faramir zelf bewijst dat jouw vraag zo vreemd niet is, Anne, omdat hij dus inderdaad niet door zijn knieën gaat, maar vasthoudt aan zijn rang. Zij denkt dat alles nu duidelijk wordt, voor hem is er heel veel nog niet duidelijk en dat wil hij eerst op een rijtje hebben.

    Dus ja: je hebt wel gelijk dat het aan de ene kant niet passend zou zijn voor hem. Maar vanuit haar perspectief is het mijns inziens toch wel voor te stellen dat zij erop hoopt en het daardoor ook verwacht.

     

  3. @ EsQuizzy: Ja en nee. Hij lijkt me geen man die vanwege zijn rang vergeet menselijk te zijn. Maar hij is wel kapitein en verantwoordelijk voor zijn mannen en missie. Hij kan niet zomaar even alles vergeten en het 'ouwe jongens krentenbrood' laten zijn. In ieder geval niet zolang hij haar verhaal niet heeft kunnen verifiëren. Stel dat ze wel degelijk met een boodschap van de stadhouder was gestuurd en onderweg van haar paard gevallen was en dat ook zo verteld had, dan was zijn houding anders geweest, vermoed ik. En die van Arthad en Mablung ook. Snap je het nuanceverschil? Die toenadering past hem in mijn ogen niet, nu nog niet. Net zoals hij in TTT bij Frodo en Sam eerst in probeert te schatten welk vlees hij in de kuip heeft, zeg maar, voordat hij milder wordt.

 

Geef een reactie