Door:

Categorie:
Geplaatst op 5 juli 2016 | Bijgewerkt: 18 april 2017 om 09:54 uur.
Woorden: 1841 | Leestijd: circa 8 min.

De steeds groter wordende dreiging voor de stad was de volgende morgen het onderwerp van gesprek in het paleis. Niet iedereen wist het naadje van de kous, maar het gerucht dat vrouwen, ouderen en kinderen de stad wellicht moesten verlaten ging als een lopend vuur rond. Beara had geen zin gehad haar ouders ’s morgens te moeten spreken en daarom meldde ze zich extra vroeg in de keuken. De op handen zijnde evacuatie hield de gemoederen ook hier bezig, merkte ze. Terwijl ze een kruik met wijn vulde en wat brood pakte, luisterde ze stil naar het gesprek tussen haar collega’s.
“Er waren al weinig kinderen in onze stad, maar nu zal het wel helemaal stil worden”, verzuchtte het hoofd van de keuken, die net een brood in de oven had gedaan en nu zijn handen waste. “Minas Tirith is natuurlijk een vesting, geen gewone stad. Maar toch… met de kinderen van de wachters van de citadel en de huishoudelijke staf was het tenminste nog een klein beetje alsof we in een gewone plaats woonden.”
Almiel knikte: “We horen al amper vogels of natuurgeluiden hier. Kinderstemmen waren een welkome afwisseling naast de geluiden van wapens en paardenhoeven.” Ze keek een van de kokshulpen aan en vroeg hem toen wat hij wilde gaan doen met zijn gezin.
“Als het bevel er komt, dan hoop ik dat er een grote groep naar Lebendil vertrekt”, antwoordde hij. “Mijn vrouw is zwanger, ik heb liever niet dat ze alleen met ons dochtertje reist in deze conditie. Het liefst ging ik met haar mee, maar ik zal hier moeten blijven. Ons werk gaat gewoon door, niet waar… En al hadden ze me hier niet nodig, dan zou ik me vast bij de wachters moeten melden om mee te doen in de strijd. Maar jij dan? Wat doe jij als ze tot evacuatie over willen gaan?”
“Ik blijf hier”, was Almiel kort maar krachtig. “Ik dien dit huis al veertig jaar, langer dan dat Denethor de Tweede stadhouder is. Ik was erbij toen heer Boromir en heer Faramir opgroeiden en ik verzorgde hun moeder tot het moment dat ze stierf. Niemand krijgt me hier weg, dit is mijn plaats.” De vastberaden blik in haar ogen sprak boekdelen en niemand durfde haar tegen te spreken. Een vlammetje van hoop sprong op in Beara’s hart. Als Almiel zou blijven, misschien dat zij dan ook…
“En jij dan? Waar moet jij naartoe? Je moeder heeft familie in de buurt, toch?”
Beara besefte pas dat deze vraag aan haar gesteld was, toen iedereen haar verwachtingsvol aankeek. Het was of iemand het kleine vlammetje met een emmer vol water uitbluste. Ze gaan er gewoon van uit dat ik niet hier hoor, maar dat ik vlucht…
“Ja, we hebben familie in Lossarnach”, reageerde ze zo neutraal mogelijk. “Maar mijn taak ligt hier, als de stadhouder mij nodig heeft, dan blijf ik.”
Almiel schoot in de lach.
“Kind toch. Je denkt toch niet echt dat jouw plaats hier is, als de oorlog uitbreekt? Wees maar blij dat je een betere plek hebt waar je heen kunt gaan! Nee, de staf hier in huis zal uiterst beperkt zijn in tijden van oorlog, wij hebben jou dan niet nodig. Stel je voor…”
Ze lachte opnieuw, en de anderen grinnikten goedmoedig mee. Beara probeerde haar gezicht in de plooi te houden, maar diep vanbinnen kookte ze van woede. Hoe durfden ze haar zo te beledigen, haar uit te lachen om haar wens om hier te blijven dienen… zag niemand dan dat ze oud en wijs genoeg was om haar aandeel te leveren?
“Ga maar vast naar de troonzaal”, ging Almiel verder alsof er niets gebeurd was. “Ik wacht nog even tot het brood klaar is, dan breng ik dat wel na.”
Beara gaf een klein hoofdknikje, nog steeds boos en bang dat ze haar stem niet onder controle zou hebben als ze nu sprak. Buiten de keuken stampvoette ze, tot vermaak van een wachter die net langs kwam lopen. Maar eenmaal op haar plek in de troonzaal kwam ze langzaam tot rust. Ze dekte de tafel en schonk Denethor zijn wijn in toen hij binnenkwam. Daarna nam ze haar plekje aan de zijkant in, en wachtte op wat ging komen.

Vrij snel al, kwam Faramir binnen en met hem meerdere andere kapiteins. Denethor gaf opdracht dat ze niet gestoord mochten worden. Zo onopvallend mogelijk vulde Beara waar nodig de wijnbekers opnieuw, waarbij ze meerdere malen de naam van de haar onbekende streek Ithiliën hoorde vallen. Een minuut of vijf lang droomde ze weg. Ithiliën… dat moest een prachtige streek zijn geweest, voordat het een niemandsland tussen de zwarte vijand en hun eigen land in was geworden. Zou de lente daar al tastbaar aanwezig zijn? Zouden er ondanks de dreiging uit het oosten nog vogels zingen, en zouden er al bloemen bloeien nu de lente eindelijk gekomen was?
Heftig pratende stemmen achter de deuren van de troonzaal deden haar uit haar gedachten opschrikken. Ook de mannen aan de tafel waren door het geluid afgeleid, zag ze. Eén van de grote deuren ging open en iemand overlegde kort met de wachters. Denethor stond op met een geïrriteerde blik in zijn ogen en vroeg met luide stem wat er aan de hand was.
“Pardon mijn heer…” De oudste van de twee wachters liep naar voren toe, duidelijk niet op zijn gemak met de situatie. “Ik weet dat u heeft gezegd dat u niet gestoord wilde worden, maar er is iemand hier, die een belangrijk bericht heeft dat hij alleen aan u wil geven.”
Denethor wuifde ongeduldig met zijn hand.
“Laat hem binnenkomen.”
Een nog jonge patrouilleleider kwam achter de wachter aan naar binnen. Hij was een ogenblik lang van zijn stuk gebracht door de grootsheid van de zaal, maar liep toen haastig naar voren. Hij boog kort voor de stadhouder.
“Heer Denethor”, zei hij en hij durfde amper op te kijken. “U weet hoe wij voortdurend bezig zijn met het bewaken van de grenzen, maar ook met het zoeken naar nieuws over kapitein-generaal Boromir. Eergisteravond was een van mijn mannen aan de oever van Anduin, ten noorden van waar de Entwas erin uitkomt. Hij meende iets te zien drijven op het water, en besloot het te onderzoeken. Het is…” De man stokte even en kuchte nerveus. “Het is iets van grote waarde, mijn heer”, ging hij toen verder. “Ik heb heel de nacht doorgereden om het u te brengen.” De man haalde iets onder zijn mantel vandaan, een voorwerp dat in een lederen doek gewikkeld was. Beara zag niet wat het was, maar ze voelde ineens een knoop in haar maag ontstaan. Met twee handen nam Denethor het pak aan, legde het buiten Beara’s gezichtsveld op tafel en opende het.
“Het spijt me, mijn heer…” stamelde de patrouilleleider. “Ik wilde dat ik u beter nieuws kon brengen.” Er ging een geschokt gemompel door de groep mannen heen en Beara zag een blik van ontzetting in Faramirs ogen. Maar het meest werd ze geraakt door de wanhoop, de verslagenheid en de duisternis die het gezicht van de stadhouder tekenden en die haar hart vulden nog voor ze kon zien wat ze vreesde. Achter haar klonk een zachte kreet en het kletterende geluid van brekend aardewerk. Beara draaide zich om en zag dat Almiel door de nog openstaande deur was binnengekomen. De huishoudster staarde met een bleek gezicht naar de tafel, zich niets aantrekkend van de scherven die aan haar voeten alle kanten uit waren gespat.
Langzaam, alsof ze het zelf eigenlijk niet wilde, deed Beara een paar stappen naar voren. Een zwaar, duister gevoel maakte zich van haar meester toen ze zag wat al die anderen zo ontzet had. In de opengevouwen doek, lag de helft van een ossenhoorn. Er was geen twijfel mogelijk: het was onmiskenbaar de hoorn van Gondor, de hoorn die van generatie op generatie van de stadhouder op zijn oudste zoon was overgedragen. De hoorn die Boromir bij zich had gehad en die ze dagen geleden hadden gehoord.
Faramir leek zichzelf als eerste weer onder controle te hebben. Hij stond op, schraapte zijn keel, slikte een paar keer en zei met een diepe, verstikte stem: “Tevergeefs keken wij uit vanaf de witte toren… Boromir de grote zal niet tot ons terugkeren.”
Er klonk een snik vanaf de plek waar Almiel nog steeds stond, maar verder bleef het doodstil in de zaal. Beara voelde hoe de ruimte om haar heen begon te draaien. Ze greep de leuning van een stoel beet en haalde diep adem.
Niet huilen. Je mag niet huilen. Je kunt nu niet huilen, niet nu, niet hier. Blijf kalm… Ze kneep zo hard ze kon in de leuning en voelde dat er langzaam een vreemd soort rust in haar hart landde. Het bleef stil, alsof niemand wist hoe ze nu verder moesten. Voor een situatie als deze bestond geen protocol…
Opnieuw was het Faramir die zijn stem verhief, nog steeds verstikt, maar luider en dringender dan daarvoor.
“We moeten in actie komen, vader. We weten niet wat er gebeurd kan zijn met Boromir, maar de dreiging voor ons land, voor onze stad, wordt met de dag groter. Er zijn meldingen van troepen zuiderlingen die door Ithiliën naar de Morannon reizen om de Ene van dienst te zijn. Daar kunnen we tenminste iets tegen doen.”
Denethor stond nog steeds op zijn plek. Hij had de hoorn van de tafel genomen en hield deze nu in zijn beide handen.
“Mijn zoon… mijn dierbare zoon…” fluisterde hij. De pijn die in zijn woorden doorklonk was hartverscheurend. Met een blik van haat en verbittering keek de stadhouder naar zijn jongste zoon. “Je doet maar wat je goeddunkt, Faramir,” siste hij ineens vol verwijt tussen zijn tanden door. “De zaak is toch al verloren.” Hij pakte de halve hoorn beet en liep met grote, stramme passen de troonzaal uit.
Heel langzaam kwam iedereen in beweging. De kapiteins vervolgden zacht pratend hun overleg. Beara veegde de scherven van de waterkan op en begeleidde Almiel naar de keuken, waar de oudere vrouw verdwaasd op een stoel ging zitten om vervolgens in een huilbui uit te barsten.
“Heer Boromir was als een zoon voor haar, ze heeft hem van jongs af aan zien opgroeien”, fluisterde de kok haar toe. Hij schonk een beker wijn voor haar in, die ze met bevenden handen aannam. Beara knikte flauwtjes, terwijl ze zag hoe de sterke, wilskrachtige Almiel van vanmorgen nu zo zwak en gebroken leek te zijn. Ze wilde medelijden hebben met haar meerdere, maar merkte dat dat niet lukte.
De bitterheid van de avond ervoor, de hoop die elke keer weer de grond in geboord was en het immense verdriet waren samengebald tot een grote, donkere wolk in haar gedachten, die alles verduisterde. De tranen die ze verwacht had, kwamen niet. Ze voelde alleen een vreemd soort leegte, een zinloosheid die haar lichaam en geest verlamde. Toen haar ouders er die avond opnieuw bij haar op aandrongen dat ze naar Lossarnach moest gaan, protesteerde ze niet meer.



16 reacties

  1. Eindelijk weer tijd om te schrijven gevonden 🙂

    Ik besef dat deze verhalen niet echt uitblinken in vrolijkheid… ik hoop niet dat jullie er somber van worden. Het doet mij er wel bij stilstaan hoe het leven kan zijn, als je land in oorlog is en er maar heel weinig lichtpuntjes zijn. Deze wanhoop, deze somberheid, is voor velen in onze wereld een werkelijkheid van alle dag… en soms is het wel goed daarover na te denken en te beseffen hoeveel 'geluk' wij hebben dat we in dit land zijn opgegroeid!

  2. Haha, jij met je eindelijk… Als je het mij vraagt ligt je volgende post alweer bijna klaarliggen. 

    Opnieuw heel mooi geschreven!
    En: ik hou juist van verhalen die niet uitblinken in vrolijkheid. Ieder leven kent wel zijn bergen en zijn dalen; geen enkel leven is volmaakt. Dat vind ik juist het mooie in verhalen: dat er, op wat voor manier dan ook, ruimte is voor die onvolmaaktheid.

    Klein puntje nog: niet waar mag echt waar aan elkaar, nietwaar?

  3. Ja, dit zijn verplichte punten in dit verhaal, hè? 

    Ik vind dat je het mooi gedaan hebt — de spanning tussen Denethor en Faramir komt heel scherp naar voren.

    Ik kijk enorm uit naar het moment dat Gandalf en Pepijn het verhaal komen binnenstormen — maar misschien neem je de vrijere route en laat je Beara inderdaad de stad verlaten. We zullen het wel zien.

    Twee puntjes die ik anders zou doen:

    « Vrij snel al, kwam Faramir binnen en met hem meerdere andere kapiteins. »

    Persoonlijk zou ik de komma daar weglaten en een em-streepje tussen ‘binnen’ en ‘en’ plaatsen.
    Maar dat ben ik. 

    « …die ze met bevenden handen aannam. »

    En ja, misschien ligt de volgende post alweer bijna klaarliggen. 

  4. Haha, ik vond die ook erg grappig, had 'm al gezien maar nog geen tijd gehad om te reageren.

    Bedankt voor jullie reacties, leuk dat jullie nog steeds meelezen. En nee, helaas ligt de volgende post nog niet klaar… er was nog iemand die vond dat ik ook met Toevlucht verder moest   *dikke grijns*

    Nee, serieus, ik vrees met grote vrezen dat het voorlopig sowieso een lager pitje wordt. Ik schrijf graag een uur achter elkaar aan iets en met de schoolvakantie in aantocht (over 2 weken) gaat 'm dat gewoon niet worden… 

    Ja, inderdaad, dit doet wel wat aan Jakob denken, leuk die vergelijking Anne! En voor mij leuk dat jij het verhaal niet kent, Quizzy weet al of de door jou uitgesproken hoop waarheid wordt of niet… maar voor jou blijft het nog een verrassing.
    Ja, het is wel goed dat er ruimte is voor het niet volmaakte, hoe deprimerend dat soms is… dit is in ieder geval geen vrolijk romantisch verhaaltje… 

    Volgende week hoop ik nog weer wat schrijftijd te hebben.

    Wat is een em-streepje Quizzy? Gewoon een koppelteken dat verlengd is?

  5. Het em-streepje is het denk-streepje — dat je in al mijn verhalen en reacties met enige regelmaat kunt tegenkomen.

    Ik zie het als het ‘euhm’-streepje.

    Korte achtergrond: het heeft officieel (niet altijd officieus) de breedte van de hoofdletter M in het gekozen lettertype. Er is ook een en-streepje, dat (dus) de breedte van de corresponderende hoofdletter N zou moeten hebben.

    M-dash:
    Alt+0151 op Windows machines;
    Alt+Shift+- op (veel) Macs.

    Op het iOS schermtoetsenbord pak je het em-streepje door het koppelteken (speciale tekens, onder de A) lang ingedrukt te houden en het langste streepje te kiezen.

  6. Aha, dat streepje gebruik ik ook vaak ja (en Word maakt er zelf een verlengd streepje van als het tussen twee spaties staat), alleen dan niet als euhm eigenlijk.

    Enne, wat bedoel je met die canonieke lijn????
    Bedoel je het feit dat Tolkien ervoor kiest om steeds bepaalde dingen te laten gebeuren voor bepaalde dagen, om dan weer terug te keren naar andere personen, en met die personen dezelfde dagen te beleven?

  7. Word en "automatisch aanpassen"? Heb ik standaard op UIT staan, vanwege het feit dat ik beter denk te weten wat ik wil typen dan MS Word. 

    #canonieke lijn: daarmee bedoel ik de verhaallijn van datgene, wat Tolkien in LOTR geschreven heeft.

    Je zou ervoor kunnen kiezen om andere keuzes te maken dan wat je in LOTR leest. Dat zou ik enorm waarderen. In plaats van de vraag wat er in LOTR precies gebeurt, jezelf de vraag stellen: "Wat zou er gebeurd zijn als…?" — en dan beginnen met één ding te veranderen en vervolgens de gevolgen dáárvan in Beara te verwerken.

    Veel grotere vrijheid voor jou, veel verrassender voor lezers die LOTR kennen.

  8. Oef. Ik denk dat ik je nog steeds niet snap. Of misschien ook wel? Maar ik vind het zo'n mooi verhaal, dat wíl ik helemaal niet veranderen… al wil ik het wel graag van een andere kant bekijken en 'beleven' vanuit een ander personage.
    Alle schakels in dit verhaal zijn zo met elkaar verweven, dat een kleine verandering halverwege al een heel grote impact op het einde kan hebben. Nee, ik vind het onzettend mooi zoals het is, dat zou ik nooit kunnen. Die vrijheid kan ik niet (en wil ik niet) pakken, sorry als ik jou daarmee teleurstel. Ik vind het heerlijk om Beara vrij te laten 'bewegen' in een verhaal dat er verder qua kaders al helemaal staat. Om haar haar eigen verhaallijn te laten hebben en haar eigen keuzes te laten maken, zonder dat die de loop van het verhaal veranderen, maar met een mooie verweving in dat verhaal. Dat het verhaal, zoals het er al is, háár mag veranderen, zeg maar.

    Ik zeg: misschien een leuke uitdaging voor jezelf? Al hoewel ik vele mensen ken die de film niet eens wilde zien omdat die op bepaalde delen niet trouw was aan het boek… en ik weet zelf ook niet of ik een verhaal zou willen lezen dat dingen bewust anders zou laten lopen. Maar dat ben ik…  
    Ik hoop dat je het alsnog wilt blijven lezen.


Geef een reactie