Door:

Categorie:
Geplaatst op 19 april 2017 | Bijgewerkt: 19 april 2017 om 13:45 uur.
Woorden: 1226 | Leestijd: circa 5 min.

De ontdekking van de halve hoorn werd een kantelpunt in de dreigende oorlog. Faramir stuurde een zestal boodschappers op pad om de diverse wachtposten het laatste nieuws te vertellen. Sommigen hoefden niet verder dan de Rammas Echor, anderen werden tot aan Cair Andros gezonden, of moesten diverse plaatsen in het westen langs. Ook Hirgon was onder de boodschappers. Kapitein Faramir vertrok zelf met een leger te voet naar het noordoosten. Hun exacte bestemming werd niet genoemd, maar Beara concludeerde dat ze naar Ithiliën onderweg moesten zijn. Ze rilde. Los van het feit dat deze mannen daarmee in het niemandsland kwamen waarin hun eigen volk de baas niet was, zouden ze ook ergens de rivier de Anduin over moeten steken. Hoe kon een groep van een paar honderd man dit doen, zonder dat de vijand hen zou zien en kunnen aanvallen? Zou er naast de oversteekplaats in Osgiliath nog een andere plek zijn, meer verborgen en veiliger voor de kapitein en zijn leger? En waar moest een leger zich in Ithiliën verborgen houden, terwijl er grote groepen vijanden doorheen marcheerden?
Denethor koos ervoor een groot deel van de dag in zijn privévertrekken te blijven, waar Almiel hem als vanouds diende. Beara had zich laten verontschuldigen. Hondsberoerd voelde ze zich, alsof de constante angst voor de dreiging in het oosten en het verdriet dat ze zo hard weg probeerde te duwen zich in haar maag hadden genesteld. Toch had ze het in bed niet lang uitgehouden. De stilte in huis was ondraaglijk en dus was ze naar buiten gevlucht en liep ze nu doelloos door de straten van de citadel. Zonder erbij na te denken koerste ze op de muur af, waar ze stil voor zich uit in de verte staarde. Daar, in het zuiden, lagen de landelijke gebieden van Lebennin en Lossarnach. Daar zou straks een stoet van handkarren en ezels met wagentjes naartoe gaan, als de vrouwen en kinderen daadwerkelijk de stad moesten gaan verlaten. En in die stoet zou zij meelopen, op weg naar het huis van haar moeders tante en de grote familie die daar bij hen woonde. Een stoet vol mensen zoals zij, die tegen wil en dank afscheid moesten nemen. Vluchtelingen…
Langzaam schudde Beara haar hoofd. Lossarnach… de laatste keer dat ze daar was geweest, hadden ze een bruiloft gevierd van een van haar neven. Ze had het er heerlijk gevonden: het was een streek vol bloemen en vruchtbaar land, waar ’s zomers dagelijks allerlei soorten fruit en groenten vandaan naar de stad gebracht werden. Maar wat kon men in die streek beginnen tegen een leger? Er trok een rilling over haar rug. De mensen daar leefden nu nog alsof er niets aan de hand was. Ze zou er haar achterneefjes en –nichtjes moeten verzorgen alsof er geen oorlog was, ze zouden haar laten schoonmaken, wassen en koken terwijl slechts een klein stuk verderop het noodlot naderde. Hoe kon ze zo haar land dienen en haar heer trots maken? Ze kneep haar rechterhand samen alsof ze haar zwaard vasthield en hief haar rechterarm toen gestrekt op. Een moment lang stond ze daar, fier en met opgeheven hoofd alsof ze de vijand hoogstpersoonlijk wilde aanvallen. Maar haar arm zakte even snel als ze hem geheven had en ze liet haar hoofd hangen. Er waren geen ommuurde steden in Lossarnach, slechts nederzettingen van boeren. Wat kon je met een zwaard als je verder geen bescherming had? De legers uit het zuiden zouden eerst over de rivier naar Lebennin trekken en men vermoedde dat ze bij Pelargir aan wal zouden komen. Dan hoefden ze alleen maar naar het noorden te trekken om over hen heen te spoelen als een rivier die buiten zijn oevers treedt. Op weg naar hun echte uitdaging, Minas Tirith, zouden de soldaten van de vijand hun boerderijen in brand steken en alles verwoesten. Ze maakten geen enkele kans…
“Ik maak daar geen enkele kans”, fluisterde Beara. In gedachten zag ze heer Boromir voor zich staan, trots en sterk. Hij had haar toch niet voor niets leren het zwaard leren gebruiken? Als hij niet geloofde dat zij het kon… “Maar hoe dan?”, vroeg ze zich gefrustreerd af. “Hoe kan ik mijn land dienen? Hoe kan ik mijn heer trots maken?” Hoe hard ze haar vaders wijze woorden ook probeerde te negeren, in één ding kon ze hem geen ongelijk geven. Heer Faramir zou haar nooit toestaan om tot zijn leger toe te treden.
Maar wat moet ik dan?
Een plotseling rumoer bij de poort deed haar uit haar gedachten opschrikken. Ze draaide zich om en liep naar de kant waar ze over de onderste ring van de stad uit kon kijken. Een groepje mensen stond verloren op het plein. Beara herkende de kokshulp die eerder over zijn gezin gesproken had. De man omhelsde een huilende vrouw die zichtbaar zwanger was. Naast haar stonden twee vrouwen van een jaar of vijftig en een tienermeisje dat bleek voor zich uitstaarde. Op een platte kar zat een klein kind tussen een paar volgepakte manden. Naast de ezel die voor de kar gespannen was, stond een magere, oude man die eruitzag alsof hij beter in een warm bed bij de haard kon liggen. Met haar lippen op elkaar geperst keek Beara hoofdschuddend toe. Deze groep wilde het bevel van de stadhouder kennelijk niet afwachten. De kwetsbare uitstraling van het zestal maakte haar boos. “Jullie weten niet waar jullie op afgaan!”, wilde ze roepen. “Het heeft toch geen zin!” Maar ze zweeg en bleef aan de grond genageld staan kijken. De kokshulp liet zijn vrouw los en aaide het meisje op de handkar over haar haren. Hij omhelsde één van de twee oudere vrouwen en groette de anderen met een hoofdknik. Daarna deed hij een paar passen achteruit. Het groepje sloot zich nu aan bij een grotere groep die Beara daarvoor niet gezien had en die dichterbij de poort had staan wachten. Nog meer arme drommels… Kort daarna klonk een bevel en de groep zette zich in beweging. Met gebalde vuisten liep Beara van de ene kant van de muur naar de andere, waar ze zag hoe de groep de poort uitkwam en langzaam bij de stad vandaan trok. Ze grimaste. Verschoppelingen waren het. Kleine kinderen, oude vrouwen, zwangeren, mensen die niet van nut konden zijn of van zichzelf dachten dat ze dat niet waren. Kijk ze nou lopen, met slepende voeten en afhangende schouders. Ze waren al verslagen voor de veldslag begon. Hoe kon zij zich daar ooit bijvoegen? “Nooit!” siste ze tussen haar tanden. “Als we toch moeten sterven, dan niet zo!”
Wat waren haar vaders woorden ook al weer geweest? Stel dat ze dit zouden overleven, dan waren er jonge vrouwen nodig om het land weer op te bouwen, om te trouwen en kinderen te krijgen en de verwoeste grond te bewerken. Dat had hij gezegd. Bitterheid borrelde opnieuw op in Beara’s hart. Er was er maar één waar zij mee had willen trouwen. Maar één wiens kinderen zij had willen dragen. En als die ene er niet meer was, hoeveel nut had het dan om voor een ander te kiezen? Voor geen goud zou ze zich bij de evacuées aansluiten. Met een ruk keerde ze de groep vluchtelingen de rug toe. Ze moest hier weg, voordat anderen over haar besloten. Ze moest weg voor het te laat was!



5 reacties

  1. Spannend, hoor! 

    Ik hoop dat je de flow ook weer wat vast kunt houden — of erin meegaan, net hoe je het bekijkt. 

    Eén puntje: ik miste het tweelingbroertje (of -zusje) van één woordje in de volgende zin.

    Dan hoefden ze alleen maar naar het noorden te trekken om over hen heen spoelen als een rivier die buiten zijn oevers treedt.

    Verder maar weer!  


Geef een reactie