HP 06 – Thomas
Door:

Categorie: Bijbelverhalen
Geplaatst op 5 februari 2013 | Bijgewerkt: 28 december 2013 om 00:06 uur.
Woorden: 1400 | Leestijd: circa 6 min.
|

Zzz… zzzzz…
Het kleine vliegje lijkt als enige geluid te maken, deze nacht. Daar waar normaal een zwaar gesnurk de kamer vult, is nu alleen een zachte, oppervlakkige ademhaling te horen. Het vliegje laat zich er niet door op- of afschrikken. Onbevreesd landt het op de neus van de bewoner van de kamer. Een fractie van een seconde later krijgt het de schrik van zijn leven als een grote hand hem de lucht in zwaait.
Nu wordt de stilte onderbroken door een diepe zucht. Het is niet de vlieg die de man wakker houdt, vannacht. Ook is het niet drukkend warm, of luidruchtig buiten. Het zijn zijn eigen gedachten die Thomas plagen.

Terwijl zijn ogen proberen het schemerduister in zijn kamer te doorgronden, draait hij zonder erbij na te denken met zijn vingers cirkels over het dunne doek waaronder hij ligt. Ineens stop hij, als door een wesp gestoken. De herinnering aan de handen van zijn Meester maakt dat hij ineenkrimpt. Wat deed Hij ook al weer? Schijnbaar onbewogen schreef Hij met zijn vinger in het zand, die dag toen ze bij Hem kwamen met een vrouw die overspel gepleegd had. De leiders hadden haar willen doden als straf. “Wie zonder zonde is, moet de eerste steen maar naar haar gooien,” was zijn antwoord geweest op hun vraag naar zijn mening.
Wat een wijze woorden sprak Hij toch altijd…
“En wat geloofde je in Hem, Thomas,” zegt hij nu hardop en knarsetandend. “Wat een sukkel ben je geweest. Dacht je nu werkelijk dat Hij ons zou bevrijden? Toen het puntje bij het paaltje kwam, verdedigde Hij zich niet eens!”

Rechtop zit hij nu op zijn slaapmat en hij tast naar zijn sandalen. Voorzichtig schuifelt hij even later naar de deur. Hij heeft frisse lucht nodig en iets meer licht om zich heen… misschien dat hij de stroom van gedachten dan kan stoppen.
Klein en nietig voelt hij zich als hij even later op het platte dak staat en naar de sterren kijkt die helder schijnen.
“Waar bent U, God??” wil hij wel schreeuwen, maar omwille van de buren laat hij het bij een schor gefluister. “Waar was U toen mijn Meester stierf? Waarom liet U dat allemaal gebeuren? Was iets ervan dan echt?”

De herinneringen zijn niet meer te stoppen. Beelden overspoelen hem. De eerste keer dat hij Jezus heeft horen spreken, de warmte die hij toen voelde. Ja, de X-factor, dat had deze man zeker weten! En hij, Thomas, gewoon maar een simpele jongen, mocht bij Hem horen.
Als kind keek hij bewonderend op tegen mannen die zich bij een Rabbi, een leermeester aansloten. Door Jezus was hij nu zelf zo iemand geworden. Hij betekende iets. Hij was iemand. Hij hoorde erbij!
Zoveel moois mocht hij zien, horen en zelfs ook doen. De maanden vlogen voorbij. Sommigen in hun groep vroegen zich wel eens af wanneer Jezus nu werkelijk de Romeinen verjagen zou, maar hij, Thomas, genoot vooral van het ‘nu’. Van alles wat er was. Later zou nog wel komen…

Strijdbaar was hij toen Jezus aankondigde naar Judea te willen vanwege Lazarus’ ziekte, al wist Hij dat de leiders daar Hem kwaad wilden doen. “Laten wij ook gaan, dan zullen we samen met hem sterven!” heeft hij nog gezegd. Natuurlijk wilde hij nog niet dood, maar hij wilde zijn vechtlust laten zien aan zijn Heer. Hij hoopte, dat Jezus trots op Hem zou zijn.
Een droge snik ontsnapt aan zijn keel als Thomas de film in zijn hoofd verder laat gaan en de laatste dagen van zijn Meester in zijn herinnering naar boven komen. De voetwassing – hoe speciaal was dat wel niet. De maaltijd, zijn Vriend die het brood brak en de beker met hen deelde. En toen die wandeling naar de tuin. Was het werkelijk nog maar zo kort geleden?
Waar was hij met zijn strijdbaarheid toen het wapengekletter begon? Petrus, die hij even daarvoor nog geminacht had omdat hij weer eens ‘anders’ moest willen tijdens de voetwassing, diezelfde Petrus had nog het lef een zwaard te trekken. Maar hij? Als een hond met de staart tussen de benen ging hij er vandoor. Van anderen hoorde hij later wat er gebeurd is in het paleis van de hogepriester, bij Pilatus en bij Herodes. Zijn Meester, het beeld dat hij van Jezus had, was al gestorven voordat Hij op Golgotha aan kwam.

Tranen branden nu in Thomas’ ogen. Het is voorbij. Het is echt voorbij, en het erge is dat zijn vrienden dat niet lijken te kunnen accepteren. Eén van de vrouwen is twee nachten na Zijn sterven bij het graf geweest en zij beweerde dat Jezus is opgestaan. De vreugde die toen ontstond, verstikte hem.
“Vrouwenpraat!” bezwoer hij de anderen. “Gek van verdriet zijn ze, en nu zien ze dingen die er niet zijn! Als Hij echt leeft, waarom toont Hij zich dan niet aan ons? Wij zijn toch zijn leerlingen?”
Petrus en Johannes beloofden deze zaak verder uit te zoeken. Thomas was gelijk met hen vertrokken en naar het huis gegaan waar hij een kamer huurt. Nog langer luisteren naar die leugens, dat kon hij niet. Want het kan niet waar zijn. Toch?

Onrust maakt zich ineens van hem meester. Hij weet dat ze bij elkaar komen, morgenavond. Ook híj is daarvoor uitgenodigd, vandaag nog, maar hij heeft niet bepaald vriendelijk gezegd dat het onzin is. “Wat staat ons nog anders te doen, dan stil uit elkaar gaan?” waren zijn woorden. “Het is allemaal onzin, waar wij achteraan liepen.”
“Maar het is geen onzin!” bezwoer Filippus hem. “Toen jij was vertrokken, de dag na Sjabbat, hebben Kleopas en een ander Hem ook ontmoet, Hij is met hen naar Emmaüs meegelopen. En diezelfde avond nog hebben wij Hem zelf met eigen ogen gezien!”
Thomas schudt zijn hoofd. Wat hij Filippus vanmorgen antwoordde, staat hem nog helder voor de geest. “Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.”
Hij legt zijn hoofd in zijn nek en staart de nachtlucht in.
“Morgen, dan zal ik ze zeggen waar het op staat,” fluistert hij tegen de sterren. “Morgen, dan moet de waarheid maar eens echt op tafel komen. Want als Hij leeft, waar is Hij dan nu? Ikzelf heb Hem nog niet gezien. En zolang dat zo is… geloof ik het ook niet!”

* * *

Enigszins slecht gehumeurd vanwege de te korte nacht komt Thomas de volgende avond na zonsondergang aan bij het huis dat ze hem genoemd hebben. Hij voelt zijn nekharen overeind komen bij de verwachtingsvolle en blije gezichten van een aantal van de leerlingen.
In de kamer kiest hij een hoek uit waar hij onopvallend rond kan kijken. Het valt hem op dat Andreas de deuren hermetisch sluit. Bang voor pottenkijkers? Waarvoor in hemelsnaam? Wat kan er hier nog te zien of te beleven zijn dat van werkelijke waarde is?
De woorden die worden gesproken, gaan deels langs hem heen. Gezicht voor gezicht bekijkt hij de leerlingen – zijn collega’s en vrienden. Geloven zij het dan wel? Het vertrouwde gezicht van de Meester past in deze groep, en zijn blik dwaalt er bijna langs in de ronde die hij voor zichzelf maakt. Tot de plotselinge, verwachtingsvolle stilte hem doet beseffen dat er iets niet klopt.

“Meester!” Een rauwe kreet is het.
Zijn ogen kijken alleen naar hem, Thomas. Zijn handen – met de spijkergaten in de polsen – strekken zich alleen naar hem uit. Zijn mond spreekt de woorden die Thomas zo nodig heeft.
“Ik wens jullie vrede.”
De onrust glijdt weg uit zijn lichaam. Schaamte komt er voor terug, heel even. En dan opluchting, liefde, hoop, troost – overweldigende gevoelens waar hij zich geen raad mee weet.
“Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.”
Thomas handen tintelen en hij wil ze bijna verstoppen nu hij naar voren loopt en voor zijn Meester knielt. “Mijn Heer, mijn God!” stamelt hij.
Met een vriendelijke blik kijkt de Meester hem aan. “Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.”
De liefde in zijn ogen blijft groot, bij deze terechtwijzing. En Thomas slaat zijn ogen niet neer. In zijn hart spreekt hij het uit, keer op keer. “Ja Here. Ik geloof. En ik zal blijven geloven.”



11 reacties

  1. Ik vind vooral het moment dat Thomas eerst Jezus’ gezicht wel ziet, maar er niet bij stilstaat, erg sterk. Ik stelde me er altijd zoiets bij voor van: “Poef!” en daar was Jezus, met een lichtflits of zo.
    Maar op deze manier is het natuurlijk nèt zo plotseling, alleen veel indrukwekkender en veel meer herkenbaar.

    Klasse, hoor!

    Leuk dat je het hier deelt.
    En gefeliciteerd, het is leuk als jouw idee en uitvoering gekozen worden. Dat ken ik nog wel uit mijn IdR-tijd. Iets met een rothaan! =D

    =)

    • Ik deel het op verzoek van Auke-Willem, maar anders had ik ‘m zeker ook wel geplaatst. Dank je! Vooral van het indrukwekkende 🙂 Mooi compliment!

  2. Mooi verhaal!
    Wat ik me wel even afvroeg is wat je precies met de volgende zin bedoelt:
    ‘Zijn Meester, het beeld dat hij van Jezus had, was al gestorven voordat Hij op Golgotha aan kwam.’
    Bedoel je daar dat Jezus al gestorven was voordat Hij op Golgotha kwam, of begrijp ik dat verkeerd?

  3. Dank je, Anne! Nee, Jezus was toen nog niet gestorven. Maar het beeld dat Thomas van Hem had als Redder, dat was al wel dood. Zijn droom – met Jezus samen strijden – was in duizend stukjes uiteen gevallen. Het was voor hem, Thomas, toen al alsof Jezus er niet meer was, al moest het werkelijke sterven nog gebeuren. De droom was al dood… Snap je?

  4. Ja, zo is het duidelijker. Ik dacht eigenlijk ook al dat je dat bedoelde, omdat Jezus inderdaad op Golgotha is gestorven.
    Maar toen ik het de eerste keer las, leek het net alsof er stond dat Jezus Zelf al gestorven was. (Daarom heb ik die zin ook een paar keer gelezen ;))

 
|

Geef een reactie