Door:

Categorie:
Geplaatst op 16 januari 2019 | Bijgewerkt: 16 januari 2019 om 14:43 uur.
Woorden: 1567 | Leestijd: circa 7 min.

Die avond kon Beara de slaap niet goed vatten. Ze was druk genoeg geweest: bijna alle mannen waren eind van de middag teruggekomen van hun verkenningstocht. Morgen werd een grote confrontatie verwacht, had Arthad verteld. De mannen zouden vroeg opstaan en dan met bijna heel het leger Ithiliën in trekken. Er moest dus al vroeg voor eten gezorgd worden. Hoogste tijd om te slapen…
Ze draaide zich met een zucht op haar andere zij. Het gesprek met Arthad liet haar niet meer los. Hij had gelijk… het dienen van Boromir had ze niet als een last ervaren. Waarom kon ze zich nu dan zo moeilijk in haar lot schikken?
Een bijna volle maan verlichtte het watergordijn in de ruimte achter haar slaapplekje. Stilletjes stond Beara op. Ze liep naar de rand van de grot en staarde naar de verlichte nachtlucht. Ja, het was een eer geweest om haar heer te dienen. Om klaar te staan wanneer hij haar nodig had. Om te zien hoe zijn gezicht ontspande als hij thuiskwam en de wereld even kon buiten sluiten. Ze slikte een paar keer om een plotselinge brok in haar keel weg te werken.
‘Ik wil ook wel blijven dienen’, fluisterde ze tegen de maan. ‘Maar ik wil niet vluchten. Dan maar liever vechten. Als het kon, zou ik zo weer dienen gaan… bij mijn meester… bij heer Boromir…’
De maan antwoordde niet, maar vlak achter zich hoorde ze plotseling een zacht gekuch.
Met een ruk draaide ze zich om. Wie was dat? Haar hand schoot naar haar rechterzij, waar ze haar zwaard niet vond. Natuurlijk, ze had op bed gelegen…
‘Niet schrikken.’ Vanuit de schaduw trad een jongeman naar voren. ‘Kun je ook niet slapen?’
‘Arthad! Ik schrok me naar…’
‘Het spijt me.’
‘Nee, het geeft niet.’ Kwam het door het maanlicht, of was zijn gezicht echt bleker dan anders? Ze draaide weer terug naar het uitzicht en hij kwam naast haar staan. ‘Zie je uit naar morgen? Of toch eigenlijk niet?’ Het duurde even voor er antwoord kwam.
‘Ik weet het niet goed.’ Hij kuchte. ‘Dit is waarvoor ik mee kwam, toch? Maar de gedachte dat we morgen tegen een leger uit Harad gaan vechten… nou ja, dat we ze vanuit een hinderlaag gaan aanvallen…’ Hij draaide met zijn linkervoet rondjes over de rotsbodem.
‘Ik vertrouw de kapitein en zijn plannen. We gaan ongetwijfeld slagen in de opzet om de vijand tegen te werken. Maar we winnen er geen oorlog mee, hoogstens wat tijd. En wat verliezen wij? Wie verliezen wij? Hoeveel borden staan er morgenavond minder op tafel?’
‘Ja. Ik snap dat je daarvan wakker ligt.’
Hij lachte kort. ‘Niet alleen daarvan. Ik dacht aan jou. Dat ik niet zeker weet of wij elkaar morgen nog wel weer gaan zien. En toen wist ik ineens zeker dat ik je nog even moest gaan bedanken. En dat doe ik liever nu, dan morgen met heel het leger om mij heen.’
‘Bedanken?’
‘Ja, voor de afgelopen dagen. Dank je wel, voor wie je bent. Ik weet dat jij moeite hebt met je taak, maar ik was blij dat jij hier was, als ik van patrouille terugkwam. Dank je voor de goede gesprekken. En voor je eerlijkheid en voor het plezier dat we samen hadden.’
Beara slikte. Ze legde een hand op Arthads schouder. ‘Jij ook bedankt’. Haar stem was ineens schor. ‘Ik hoop je morgen weer te zien.’
‘Ik hoop het ook. Ik ga er alles aan doen.’
‘In dat geval kan je maar beter voor een goede nachtrust zorgen’, fluisterde een derde stem achter de hunne. ‘Een uitgeslapen krijger heeft voorsprong op wie ’s nachts waakt.’
Geschrokken draaide het tweetal zich om.
‘Kapitein Faramir…’
‘Het is goed, Arthad. Ga nu maar.’
De jongeman groette zijn leider met een eerbiedige hoofdknik en knikte daarna ook Beara nog een keer toe. Zij wilde hem volgen, maar Faramir hief zijn hand op.
‘Beara, blijf nog even, wil je? Ik wilde je wat vragen.’
Schuchter bleef ze staan. Hij keek haar vriendelijk aan.
‘Hoe gaat het met je? Mis je Minas Tirith? Mis je je ouders?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, ik geloof het niet.’ Klonk dat niet al te ondankbaar? ‘Niet heel erg in ieder geval.’
‘Het leven hier is heel anders dan in de stad. Je hebt veel gezien en gehoord, de afgelopen dagen. Deze plaats, Ithiliën en Caïr Andros te mogen zien, dat is niet velen gegeven.’
‘Nee…’ De overtocht door de rivier stond haar nog scherp voor ogen. ‘Caïr Andros was heel indrukwekkend. Ik had er al van gedroomd…’
De blik in zijn ogen veranderde. ‘Wat heb je precies gedroomd?’
‘Ik was met Fyra, vaders paard, bij de rivier de Anduin. Het was een plek die ik niet kende. Het water stroomde er van twee kanten samen. En toen zag ik iets… iets groots en donkers dat op het water bleef drijven. Ik kon er niet bij komen, maar er ging iets heel vreemds van uit. Het leek op een boot, maar het kon ook iets anders zijn. Daarna schrok ik wakker’
‘Wanneer was dat?’
‘De tweede nacht na de dag dat de hoorn klonk.’ Het bleef even stil.
Faramirs gezicht vertrok, alsof iemand hem pijn deed. ‘Het wás een boot. Ik heb hem ook gezien. In diezelfde nacht hield ik de wacht bij de Anduin in de buurt van Osgiliath. En ik zag een smalle boot aan komen drijven, met een bijzonder licht eromheen. Toen ik het water in waadde om te gaan kijken, zag ik…’ Hij schraapte zijn keel.
Beara voelde haar hart in haar keel kloppen. Ze wist niet wat er kwam, maar ze voelde een plotselinge angst.
‘Ik zag mijn broer. Ik herkende hem, al was hij met veel wonden bedekt. Zijn gebroken zwaard lag op zijn schoot. Ik heb maar even kunnen kijken, maar er was geen twijfel mogelijk. Boromir was gesneuveld.’ Hij zweeg een moment, leek iets weg te moeten slikken. ‘Oh Boromir, waar ben je geweest? Wat is je overkomen?’
Doodstil luisterde Beara naar de rouwklacht van haar meester. Met zijn verdriet overspoelde ook het hare haar weer. Ze duwde haar vuist tegen haar mond om niet hardop te snikken. Tranen stroomden over haar gezicht. Haar stem klonk onvast toen ze stamelde: ‘Waarom toch? Waarom gebeurt dit alles? En wanneer houdt het op? Komt het ooit nog goed?’
‘Ik wou dat ik het wist. En toch, Beara, wil ik het niet opgeven. En ik hoop dat jij er ook zo over denken kunt. Ik weet, hoeveel je van mijn broer hield. En ik weet ook dat jij hem heel dierbaar was. Wil je blijven volharden, alsjeblieft? Voor hem?’
‘Ja. Ik zal mijn best doen.’ Ze rechtte haar rug en veegde haar tranen weg. ‘Ik zal mijn heer niet meer tegenspreken, maar dienen. Want ik denk dat uw broer dat ook zou hebben gewild.’
Even leek Faramir te gaan glimlachen, maar zijn mond vertrok. ‘Ik wilde maar dat…’ Hij schudde zijn hoofd en haalde diep adem. ‘Beara. Denk je nog altijd dat je de kwaliteiten hebt die nodig zijn om met de mannen mee te gaan?’
Was dit een strikvraag? Verwachtte hij dat ze nederig zou toegeven dat ze beter op haar plek was in de veldkeuken, of wilde hij juist zien of ze nog strijdbaar was?
‘De reden dat ik het vraag, is dat we morgen met heel het leger af moeten reizen. Jij dus ook.’ Hij draaide zijn gezicht naar de vallei voor hen toe en staarde in de verte. ‘Ik zou het liever niet doen, want nogmaals: ik voel me verantwoordelijk voor jou, naar je ouders toe. Maar ik weet niet zeker of we hier morgen nog terugkomen. Alles hangt af van de uitkomst van onze actie. We nemen proviand mee voor een eventuele snelle aftocht. Die proviand moet bewaakt worden op een speciale verborgen plaats. Op die plaats zou jij ook kunnen blijven, om ons na afloop van eten te voorzien. En wellicht hebben we je hulp hard nodig als er gewonden zouden vallen.’
Tijdens zijn eerste woorden flakkerde het hoopvolle vlammetje van eerder heel even op. Maar de gedachte aan gewonden blies het onverbiddelijk uit. Ze schudde haar hoofd.
‘Ik zal doen wat u mij vraagt.’
‘Dank je. Ik ben je zeer erkentelijk. Ga nu slapen, zodat je uitgerust bent voor de tocht.’
‘Mijn heer?’
‘Wat wil je nog zeggen?’
‘U zei eerder dat de oorlog geen plek voor vrouwen is. Ik vraag me af of het wel een plek voor mannen is. Of het überhaupt een plek is waar wie dan ook op zijn plaats kan zijn. Iedereen wil strijden voor eer en glorie en voor zijn vaderland. Maar niemand wil het lijden zien, het sterven, de pijn van de gewonden. Maar het lijden is onlosmakelijk aan de strijd verbonden.’
Nu draaide hij zich weer naar haar toe en keek haar recht aan. ‘Je hebt gelijk. En toch is het de fysieke kracht van mannen die hen helpt om door te zetten. Die kracht heb ik niet veel in vrouwen gezien.’
‘Misschien niet. Maar ook niet iedere man bezit de kracht die hij zou moeten hebben. En soms is mentale kracht doorslaggevend, als de fysieke kracht niet toereikend is.’
Nu glimlachte hij wel degelijk.
‘Je bent een bijzonder meisje, Beara.’
Dit keer zei ze wel hardop wat ze al vaker gedacht had. ‘Ik ben allang geen meisje meer, mijn heer.’



4 reacties

  1. Mooi hoor. En het feit dat je dit zo knap tussen het oorspronkelijke verhaal door weet te weven zonder ermee in botsing te komen vergroot mijn respect alleen nog maar!

    Dat heeft mij altijd zo aangesproken in verhalen als Ben Hur, en The Robe — die hun verhaal precies tussen de Bijbelverhalen door weten te navigeren. En nu doe jij precies datzelfde met LOTR! Meesterlijk! =)

  2. Bij dezen nog mijn reactie. Ik blijf dit een beetje globaal volgen, dat is het maximale wat er nu voor mij in zit. Ik vind het wel leuk om te lezen, dus dat probeer ik wel te doen. Maar verwacht geen heel (diep)zinnige reacties van mijn kant, ik stip alleen aan wat mij echt opvalt. 

    + mee kwam -> mag aan elkaar
    + ‘Ik vertrouw de kapitein en zijn plannen.  -> dit is nog steeds Arthad toch? Ik zou dan zelf niet op een nieuwe regel beginnen, omdat het anders lijkt alsof er een nieuw persoon aan het woord komt. 
    + Andros : dat is Grieks voor man/echtgenoot. 

     En soms is mentale kracht doorslaggevend, als de fysieke kracht niet toereikend is.

    Erg mooie uitspraak! cool


Geef een reactie