Door:

Categorie:
Geplaatst op 22 februari 2019 | Bijgewerkt: 22 februari 2019 om 11:42 uur.
Woorden: 1554 | Leestijd: circa 7 min.

In alle vroegte trok het leger van Faramir de volgende dag Ithiliën in. Ze vertrokken zoals ze aangekomen waren: in kleine groepjes, onopvallend en snel. Beara mocht opnieuw aansluiten bij de patrouille van Mablung. Maar dit keer behandelden de mannen haar met respect en deden ze hun best haar zo vlot en veilig mogelijk langs de diverse obstakels te krijgen.
Er werd niet gesproken, onderweg. Zo geruisloos mogelijk bewogen ze zich voort door het bosrijke landschap. Toen ze uiteindelijk halthielden, had Beara in eerste instantie niet eens door waarom ze dat deden. Pas toen een van de mannen een paar lage takken van een naaldboom opzij duwde, snapte ze het. Achter de boom bevond zich een grote holte in de grond, voor de helft afgedekt met dennentakken en hulst. Onder dit afdak lag een stapel zakken en pakken. Ze herkende een deel van de voorraad die ze zelf had ingepakt en die door de mannen was meegenomen. Dit was dus de schuilplaats waar zij zou moeten blijven.
Mablung wenkte Beara en knikte naar een kort laddertje waarmee ze in de kuil kon afdalen. Als ze rechtop stond, kwam alleen haar hoofd nog boven de rand uit. Maar hij gebaarde naar haar dat ze moest bukken en richtte zich daarna tot de rest van de patrouille. Drie van hen slopen weg. Tot haar opluchting kozen Mablung, Arthad en een derde man posities in de buurt van haar schuilplaats.
En nu? Hoelang zouden ze hier moeten blijven? Wat stond hen precies te wachten? De koude, vochtige grond zag er niet aanlokkelijk uit. Hoe moe haar benen ook waren, ze had weinig zin in een nat achterwerk. Een kwartier bleef ze gebukt staan, maar haar rug en bovenbenen waren het daar niet mee eens. ‘Dit kan nog uren duren’, fluisterde ze tegen zichzelf. ‘Je kunt het je maar beter gemakkelijk maken.’ Voorzichtig zocht ze een plekje dat niet al te nat en te vies was en ging zitten. Ze trok haar knieën op, sloeg haar armen eromheen en probeerde zich warm te houden in de nog steeds frisse ochtendlucht. Terwijl de tijd verstreek, wachtte ze op wat ging komen.

Pas toen ze opschrok van een vreemd gekraak niet ver bij haar vandaan, besefte ze dat ze ingedommeld moest zijn. Ze kwam stijfjes omhoog op haar knieën. Ingespannen keek ze om zich heen. Niets te zien. Niets te zien?! Waar waren Mablung en de andere twee? In de verte klonk een dof, ritmisch gedreun. Was dat het leger uit Harad? Maar wie of wat kraakte er dan zo in de takken? Ze sperde haar ogen wijd open en probeerde vanuit haar verdekte opstelling iets meer van de omgeving te zien. Áls het een verkenner van de vijand was die daar liep, dan zat ze als een rat in de val. Ze kon geen kant op in deze kuil, er was maar één plek om erin of eruit te klimmen. Was ze wel echt goed verstopt zo? Het gekraak was even weggeweest, maar nu hoorde ze het weer. Dichterbij dan eerst. Waar waren Mablung en Arthad nou toch! Ze kroop naar de rand van de kuil en tuurde tussen een paar hulsttakken door. Haar hart bonste in haar keel. Toen zag ze ze. Drie mannen met een vreemd uiterlijk, veel donkerder van huidskleur dan ze in Gondor ooit gezien had, liepen een tiental meter van elkaar vandaan door het bos. Verkenners, het kon niet anders. En een van hen liep recht op haar schuilplaats af…
Ze slikte. Wat nu? Moest ze hier heel stil blijven zitten en hopen dat ze aan haar voorbij zouden gaan, of moest ze in actie komen? De voorste van de drie was nu ter hoogte van haar schuilplaats. Ze schatte de afstand tussen hem en haar op vijftien meter: die zou haar echt niet zien zitten. De man leek alert, maar liep inderdaad zonder om te kijken verder en verdween algauw uit het zicht. Nu kwamen de andere twee in de buurt. Als ze hun koers niet wijzigden, zouden ze aan weerszijden aan de kuil voorbijgaan, de een op zo’n tien meter afstand rechts van haar, de ander vlakbij aan de linkerkant. Muisstil bleef ze zitten en kijken. Haar rechterhand bewoog voorzichting naar haar zwaard. Ze moest voorbereid zijn. Ze moest…
Op dat moment miste haar hart een slag. De derde man, die het verst weg van haar was, liep onverstoorbaar door. Ze hoorde zijn stappen in het droge blad. Maar de tweede man was stil blijven staan, net nadat hij haar van de linkerkant was gepasseerd. Hij keek scherp in de richting van de ander en greep naar de boog die over zijn schouders hing. Ging hij nou zijn eigen collega neerschieten? Beara volgde zijn blik tot ze de grijsgroene schim zag die iets verderop naar de derde man toe sloop. Arthad! Nee! Had hij maar twee van de drie mannen gezien? Dacht hij dat hij ongezien kon aanvallen? Hij liep gevaar!
De man bleef naar Arthad kijken en had zijn rug naar haar toegedraaid. Ze moest iets doen! Zo snel en stil ze kon klom ze de schuilplaats uit. Haar ademhaling was snel, haar mond was kurkdroog. Ze moest proberen rustig te blijven. Voorzichtig… ze mocht geen enkel takje of blaadje raken. Een paar stappen nog… De man pakte een pijl uit zijn koker en legde aan. Nu! Anders was ze te laat! Tussen de schouderplaten van zijn harnas en zijn helm was een onbeschermd gedeelte. Ze pakte haar zwaard stevig beet, hief haar beide handen en met alle kracht die in haar was, sloeg ze toe. Een kreet van pijn en verrassing echoode door het bos. De man zakte op zijn knieën. Met een volgende houw raakte ze hem in zijn zij. Terwijl hij achterover op de bosgrond viel, kruisten hun blikken elkaar. Beara rilde. Hij was nog jong, misschien wel even jong als Arthad. Bloed stroomde uit de wond in zijn nek en zij. Zijn gezicht vertrok van pijn en woede en hij siste haar een paar woorden toe in zijn eigen taal. Opstaan kon hij niet meer, maar hij was allesbehalve dood. Bevend zette ze de punt van haar zwaard op zijn keel. Ze moest hem de genadeklap geven, ze kon die jongen toch niet zo laten lijden? Een gesmoord gegrom voor haar deed haar opschrkken. Arthad! Ze was hem helemaal vergeten. Haar maatje was in een heftig gevecht met de man die hij van achteren had willen aanvallen. Verstijfd van angst keek ze toe.
‘Wat dééd je nou!’, viel hij uit toen hij zijn tegenstander eindelijk had overmeesterd. ‘Ik had hem zo kunnen pakken, maar door jou werd hij gewaarschuwd. Je moest in de schuilplaats blijven! Je bracht mijn leven in gevaar!’ Met grote stappen kwam hij naar haar toe gelopen. Pas op dat moment zag hij de jongeman voor haar voeten, de boog naast hem op de grond en de blik van ontzetting in haar ogen. ‘Was dat… wilde hij…’
De man kermde.
‘Hij is nog zo jong… hij is gewoon net als jij…’ Het zwaard gleed uit Beara’s ineens krachteloze handen en kwam met een doffe klap op de grond terecht. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en deed een paar stappen achteruit. De man op de grond schold iets onverstaanbaars. Arthad greep zijn eigen zwaard en hief het. Net op tijd draaide Beara zich om. Terwijl haar maag zich omkeerde, hoorde ze achter zich een zwaaiend geluid, een laatste zuigende hap naar lucht en een snijdende klap die in haar hart kerfde. Daarna bleef het stil.
‘Kom.’ Arthad legde een hand op haar schouder. ‘We moeten ons verstoppen. Die eerste man komt straks vast terug als hij zijn kameraden mist. Ik ga met je mee de schuilplaats in.’
Beara volgde hem. In de kuil liet ze zich op de grond neervallen. Haar lichaam beefde, ze kreeg het niet stil. ‘Waar waren jullie?’
‘Er was onraad. Een sliert rook niet ver hier vandaan. Daar zijn Mablung en Damrod op af gegaan. Ik weet ook niet waarom ze niet terugkwamen. Ik was er gewoon, maar ik stond wat verderop.’
‘Ik was zo bang.’
‘En toch heb je… dank je wel daarvoor. Je hebt moed getoond.’
‘Ik moest wel. Hij stond op het punt om jou neer te schieten!’ Een nieuwe golf van misselijkheid benam haar de adem. Ze sloot haar ogen, nam een nieuwe hap lucht en blies langzaam uit. ‘Het was verschrikkelijk. Orks zijn monsters. Maar dit… dit zijn gewoon jongens en mannen zoals jij en Mablung.’
‘Jongens en mannen die de duisternis steunen. Die willens en wetens een oorlog helpen ontketenen. Die ons het leven niet gunnen. Dat moet je niet vergeten.’
‘Ik weet het. En toch… Faramir en vader hebben gelijk. Ik ben niet geschikt voor de oorlog. Ik kan dit niet. Ik wil naar huis…’
Ietwat onhandig sloeg Arthad zijn arm om haar schouder. ‘Niemand wil een ander mens ombrengen, Beara. Ik niet, Mablung niet. Zelfs onze kapitein niet. Maar als wij dit niet doen, dan zijn we hoe dan ook ten dode opgeschreven. Als we dat niet toch al zijn.’
‘Ik weet het.’
‘Laten we hopen dat… dat er weer wat hoop is, na vandaag. Dat het niet voor niets is geweest.’
‘Kan jij nog hopen?’
‘Er is altijd nog ergens hoop te vinden.’



8 reacties

  1. Inderdaad een spannend stuk! Ik ben benieuwd waar die twee andere mannen gebleven zijn…

    Ondanks dat het 'maar' een (heel goede) schrijfoefening is, twee zinnetjes die je wat mij betreft weg zou kunnen laten.
    + Er werd niet gesproken, onderweg. (Arie zou zeggen: wat niet gebeurt hoef je ook niet op te schrijven )
    + Hij liep gevaar! 

  2. Ik noem vaak wel dingen die ik ook weg zou kunnen laten, juist om aan te stippen dat iets er niet is… Dat vind ik persoonlijk een nuttig, vaak sfeerbepalend noemen van iets, wat er niet is…

    Dat vind ik hier ook in het geval van het "Er werd niet gesproken, onderweg."

 

Geef een reactie