Spiegelbeeld: een kerstvertelling
Door:

Categorie: Drama / Roman
Geplaatst op 19 december 2018 | Bijgewerkt: 22 december 2018 om 12:55 uur.
Woorden: 3125 | Leestijd: circa 13 min.
|

Een kerstvertelling, oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in het blad Uitdaging, editie December 2018.


„…Zijn wieg was een kribbe;
Zijn troon was een kruis…!”

„Dat was prachtig, kinderen!” prees de statige dame met het rimpelige gezicht de vier kinderen. „Jullie zitten zeker bij een koor?”
„Ja, mevrouw, het kinderkoor van de kerk bij de markt!” antwoordde de oudste.
„Nou, jullie doen flink jullie best, dat is goed te horen!”
Belhamel Ingmar, zijn zusje Hannie en hun jongere buurtgenootjes Micha-van-de-buren en Mirre-van-de-overkant glommen bij het compliment. Helemáál, toen de dame hen gebood om even te wachten en al heel gauw met een beloning in de vorm van wat lekkers kwam aanzetten.
Even later ploegde het viertal door de dikke, maar nog steeds groeiende laag sneeuw. De droge ijskristallen knoerpten zacht onder hun winterschoeisel. Het witte goedje dempte alle geluiden uit de omtrek, waardoor de wereld klein leek: klein en wit. Ook was het de ideale sneeuw om een sneeuwpop van te maken of een sneeuwballengevecht mee te houden. Een eind terug in de straat was een stel andere kinderen zelfs al een iglo aan het bouwen.
Terwijl Mirre een aantal losse sneeuwvlokken van haar zwarte mouwen blies en haar gebreide witte wanten schoonklopte, merkte Hannie op: „Het wordt vast gauw donker, de lucht is zó grijs!”
„Ja, da’s mooi! In het donker is het nog veel echter!” kon Micha dat vooruitzicht wel waarderen. Bij de geheimzinnige sfeer van kerstversiering en gloeiende haardvuren zouden hun inspanningen veel meer opbrengen, meende hij. Maar die gedachte hield hij vóór zich.
„Goed,” richtte Ingmar zich op het volgende huis. „Welk lied nu?”
„Niet dat huis,” veranderde Mirre van onderwerp. Ingmar en Hannie staarden hun buurmeisje verbaasd aan: Mirre keek serieus benauwd en schudde vol overtuiging haar hoofd. Ook Micha gaf nu aan dat hij liever de straat overstak om aan de overkant de terugweg in te zetten.
„Waarom dat dan?” wilde Hannie weten. Ze nam het afgewezen huis eens goed in zich op. Het leek warm en knus ingestopt te worden onder de dikke sneeuwdeken. Zij vond het altijd een mooi huis — mooier zelfs nog dan het huis waarin zij zelf woonden. Met het hoge puntdak, de wijds uitgeslagen zijvleugel en de brede veranda had het een natuurlijke aantrekkingskracht op haar. Erachter rees de hoge bosrand nu winterkaal op, ’s zomers benadrukte het ruisende loof de relatieve stilte die het landelijke dorp kenmerkte. Volgens volwassenen zag Hannie’s droomhuis eruit alsof het flink achterliep qua onderhoud, maar in háár ogen had het een bepaalde uitstraling, een zeker sfeervol karakter. De andere huizen in de straat leken dat karakteristieke te missen. Wellicht was het juist dat karakter, waarmee het huis zowel Mirre als Micha afschrikte…
„Daar woont de Trollenkoning,” bood Micha een stukje inzicht in zijn angst. „Die is eng!”
„Het hele huis is eng,” vond Mirre alomvattend.
„Ach, kom op!” ging Ingmar tegen die gevolgen van bangmakerij in. „Die man ziet er misschien een beetje onverzorgd uit, maar èng!?”
„Mamma zegt, dat ’ie veel heeft meegemaakt,” viel Hannie haar broer bij in een poging de gevoelens van de jongere leden van hun kwartet te verzachten. Ze zei er niet bij, dat de reacties van Mirre en Micha ook haar eigen beleving wel een beetje inkleurde…
„Wat dan allemaal?” wilde Micha nu wel meer van de mysterieuze bewoner weten.
„Weet ik niet,” haalde Hannie weinig overtuigend haar schouders op. „Mamma zegt, dat hij het niet gemakkelijk heeft, in elk geval…”
„Misschien juist extra reden om wèl voor hem te gaan zingen!” coachte de minder sfeergevoelige Ingmar het clubje. Vanwege zijn leeftijd voelde hij zich de aangewezen leider van hun groepje. Tot op zekere hoogte bracht dat een bepaalde mate van verplichte fierheid met zich mee. „En het huis… ach, dat is gewoon een beetje…” — hij haperde en keek er nog eens goed naar in de hoop een geschikt woord te vinden. Mirre was echter sneller.
„Griezelig,” vulde ze gauw voor hem in. Ingmar trok een gezicht.

Een stuk verderop in de flauw straat sleepten een aantal kinderen af en aan met emmers vol aangestampte sneeuw. Alsof het zandtaartjes waren, stortten ze daarmee prachtige bouwblokken voor hun iglo, die al goed vorm begon te krijgen.
Een flink stel jongere kinderen waren aangewezen om zoveel sneeuw bijeen te schrapen als maar enigszins mogelijk was. Twee van hen hadden hun slee een flink eind van de spontane bouwplaats gesleept, naar een plek waar de sneeuw nog niet afgegraven was. Op dit moment diende de oude, houten slee als een transportmiddel: hij stond vol met drie grote emmers. Twee daarvan waren al tot de rand gevuld met het betoverende witte speelgoed dat het dichte wolkendek in overvloed over hen uitstortte. De derde emmer was halfvol, en één van het tweetal — broer en zus — was druk bezig de derde te vullen.
„Toe nou, Chris! Moet ik het alléén doen?” mopperde het meisje. „Als je me niet helpt ga ik góóien, hoor!”
„Martine!” fluisterde Chris luid genoeg om haar aandacht te trekken — Martine wist uit ervaring dat er iets te beleven viel wanneer de doorgaans luidruchtige Chris op fluisteren overschakelde.
Ze keek op; liet haar lichtblauwe wanten op de rand van de emmer rusten.
Hij wees in de richting van een groepje kinderen, schimmig door de ijskoude sneeuwvitrage.
„Ze gaan naar de Trollenkoning!” observeerde Chris met een ondeugende twinkeling in zijn ogen en een schelms lachje rond zijn mond. „Kom mee, dat moet ik van dichtbij zien!”

De hoge voorgevel van het voor kinderen indrukwekkende huis werd door een paar niet al te grote ramen bezet. Binnen sluimerde een warme maar flauwe gloed. De voordeur was in de voorkant van de zijvleugel weggewerkt, waar hij vooral bij deze dichte bewolking werd overschaduwd door de veranda. Er brandde geen buitenlicht. Ingmar en de anderen moesten daardoor nog iets meer moed bijeenrapen. De gelijkmatige sneeuwlaag achter het krakende tuinhekje was nog onaangeroerd…
Langs de zwak verlichte zijramen gingen ze. Ingmar gluurde voorzichtig even naar binnen, maar zag zo gauw niemand. Het licht was ook maar zwak: er brandde hooguit een enkele schemerlamp. Hij vroeg zich af of er wel iemand thuis zou zijn en hoopte stiekem dat ze hier voor niets zouden aanbellen, maar… hij had het troepje overgehaald, dus moest hij nu doorzetten!
„Er staan daar mensen!” fluisterde Mirre plotseling angstig. Ze hoefde niet te wijzen: de anderen zagen het ook. Als een onplezierig zwijgend gezelschap leken allerlei ongure figuren op de veranda te staan en te zitten.
Stokstijf stond ook het edele viertal te staren. Het kostte Ingmar een paar tellen om te beseffen dat het allerlei levenloze voorwerpen waren, die de veranda bevolkten. Hij liet een zucht aan zijn longen ontsnappen en zei opgelucht maar zacht: „Nee joh…! Het is maar oude huisraad — weet je nog, Han, dat hij die oude spullen van de week naar buiten aan het slepen was?”
„O ja!” herinnerde nu ook zijn zusje zich wat ze eerder gezien hadden.
„Bel jij dit keer maar aan,” droeg Hannie haar tot dan toe vaste taak aan haar oudere broer over.
„Best,” haalde Ingmar zijn schouders stoer op. Vlak voor de drie brede treden, normaal van hout maar nu gestoffeerd met sneeuw als zachte pluche, bleven Hannie, Micha en Mirre staan terwijl hij zijn schouders rechtte en de veranda besteeg. Ingmar voelde zich echter minder stoer dan hij eruit zag. Nu hij zelf onder de overkapping stond, kon hij wèl beter zien wat hen zo aan het schrikken had gemaakt: een oude commode, een paar rieten stoelen, een donker gevlekte spiegel met een lange barst in het glas, een staande kapstok… en nog meer dingen die hij zo gauw niet herkende. Over sommige van die voorwerpen hingen troosteloze lakens, en een tamelijk versleten vloerkleed leunde opgerold en met een lichte knik tegen een aftandse linnenkast. Voordat Ingmar aanbelde vielen hem een stel onregelmatige, donkere vlekken op in de wand naast de deur. Hun vader zou wel zeggen dat het schimmel was.
Dapper drukte hij op de deurbel en besefte dat het ook enige moed vergde om te blijven wachten. Zou de man, die iedereen stilzwijgend kende als ‘de Trollenkoning’, naar de deur komen?
„Niet thuis,” hoorde hij Micha al hoopvol mompelen, maar dat bleek een juichkreet te vroeg. Duidelijk klonk het gedempte geluid van een dichtvallende binnendeur, al snel gevolgd door kalme maar krakende voetstappen. Tegen een vage glans van een ruit aan de achterkant van de woning verscheen het duistere silhouet van een man die naderbij kwam — Ingmar trok zich uit voorzorg een paar stappen terug. De geruite vitrage achter het glas van de deur bewoog; grendels werden verschoven… en de deur werd een stukje opengetrokken om in een korte ketting te blijven hangen.
„Ja?” klonk een stem die geen van de kinderen ooit eerder gehoord had. Het was een rustige stem met iets van een raspend geluid erin, maar toch ook een doffe, vermoeide klank.
„Euhm,” haperde Ingmar overdonderd, maar Hannie kwam gauw de veranda op en vroeg met haar allerliefste stemmetje: „Mogen we een kerstliedje voor u zingen, meneer?”
„En wie zijn ‘we’?” wilde de stem in het donker graag weten.
„Mijn broer Ingmar en ik — en onze vriendjes Micha en Mirre,” stelde Hannie de anderen voor, waarna ze ook haar eigen naam nog vermeldde.
„Ga je gang maar,” kwam de niet bijzonder uitnodigend klinkende toestemming. Hannie wenkte de andere twee, die zich nu schoorvoetend bij de aanvoerdertjes voegden.
De deur klikte voor hun neuzen dicht. Verbouwereerd keken de kinderen elkaar aan bij zoveel onverwachte lompheid, maar de ketting ratelde en de deur werd opnieuw geopend — wijder dit keer. Voor het eerst zagen ze deze man van zó dichtbij. Hij was niet bijzonder lang: hij stak niet veel meer dan één hoofdlengte boven Ingmar uit. Op zijn baard en een dun randje wit haar na had hij een kaal hoofd. Een korte, stompe neus bood samen met zijn kleine, donkere ogen onder borstelige wenkbrauwen inderdaad enige inspiratie voor zijn bijnaam. Zijn ietwat gebogen houding deed daar nog een schepje bovenop. Hij droeg werkkleding: een geruit overhemd en een versleten tuinbroek. De dikke, geitenwollen sokken vielen vooral Mirre op.
Een zware, niet bijzonder aangename geur dreef hen vanuit de deuropening tegemoet.
Knoflook en ledervet, analyseerde Hannie. …en rook, voegde ze in stilte aan het lijstje toe. Maar die herkenbare geuren waren vermengd met andere, niet door haar te benoemen aroma’s.
Afwachtend keek het mannetje hen aan; hij leunde ontspannen tegen de deurpost.
„En… wat gaan jullie voor mij zingen?” informeerde hij naar de inhoud van het programma. „Of mag ik zelf kiezen?”
„Wij hadden ‘Jezus zegt dat Hij…’ gekozen,” nam Ingmar de leiding weer op zijn smalle schouders, waarbij hij de passende nadruk vanuit de melodie van het liedje op het ‘Hij’ legde. „Tenzij u liever iets anders hebt…?”
„Nee, ‘Jezus zegt dat Hij…’ lijkt mij best!” toverde de man een geamuseerd lachje tevoorschijn bij de kinderlijk eenvoudige afkorting van die titel. „Zing vooral wat jullie het liefst zingen! En het spijt me, maar de buitenlamp is stuk… Die kan dus niet direct schijnen!”
Ingmar keek even opzij. Vanuit zijn ooghoek zag hij de anderen afwachtend naar hem kijken, dus gaf de jonge tiener de toonhoogte aan en nam nog een hap lucht. De inzet was keurig synchroon.
„Jezus zegt dat Hij
hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes,
brandend in de nacht!”

De eerste zinnen klonken minder vast dan hun wekenlange voorbereiding en hun ervaring van die middag eigenlijk van hen mochten verwachten. Maar tegen de tijd dat ze de derde regel bereikten, viel er geen onzekerheid meer te bespeuren. Ingmar en Mirre zetten stevig de basismelodie neer; Hannie en Micha ondersteunden het geheel met een eenvoudige tweede stem. Het lied versmolt tot een loepzuivere uitvoering.
„En Hij wenst dat ieder
tot Zijn ere schijn!”

Op dat moment in het lied gebeurde het.
Onopgemerkt door de zangertjes en de oudere bewoner van het huis waren Chris en Martine vanaf de zijkant door de tuin langs het huis geslopen. Langs de verhoogde rand van de veranda hadden ze nu een plekje vlak achter het zingende viertal bereikt — en Chris zou Chris niet zijn geweest als hij niet al lang een plannetje had uitgebroed.
Zo hard als hij kon deed hij het grauwende blaffen van een woedende waakhond na — twee keer.
Terwijl Hannie en Mirre nog gilden van de schrik verdween Chris al ongezien in de schemering, op de voet gevolgd door Martine.
Micha, die bang was voor alle honden, had zich wild omgedraaid bij het dierlijke kabaal dat door de overkapping werd versterkt en deed instinctief een paar stappen achteruit: weg bij die hond! Daarbij raakte hij echter het opgerolde tapijt, dat uit balans raakte en met de verbouwereerde Micha en al vol tegen de staande spiegel viel. In Mirres beleving spatte het al gebarsten glas in ‘wel meer dan duizend stukjes’ uit elkaar — om in een razende waterval van messcherpe glazen druppels over Micha heen op de grond te kletteren. Als een uitgestorte emmer water verspreidde het glas zich rondom haar vriendje over de houten vloer…
De eerste die iets zei, was de man voor wie ze gezongen hadden.
„Stil blijven staan, jullie!” commandeerde hij, scherp als glas. Hij had het niet tegen de wegrennende voetstappen in de sneeuw, beseften de kinderen. „Stil blijven zitten, jongen!” voegde de man er richting Micha aan toe, die gelukkig bovenop de tapijtrol terecht was gekomen. Gauw trok hun gastheer een paar houten klompen aan, waarop hij naar buiten kloste. Onder zijn gewicht knarste het glas en versplinterde het nog verder. Voorzichtig ging hij over Micha heen op de hurken zitten en schoof hij zijn armen onder Micha’s oksels. Zo tilde hij hem overeind. Aan alle kanten vielen stukjes glas uit Micha’s gelukkig dikke winterkleren.
„Ben je gewond?” vroeg de man met trillende stem, terwijl hij de beduusde jongen dwingend bij de schouders pakte. „Pijn — waar dan ook?”
„Nee,” trilde Micha’s nu heel onvaste stemmetje bibberend.
„Goed zo,” knikte de man, die vervolgens heel voorzichtig Micha van zijn jas ontdeed en zijn smalle nek vrijmaakte van de roodgeblokte, wollen sjaal. De sjaal werd met een mattenklopper bewerkt — er vielen nog wat glassplinters uit het gebreide kledingstuk. Ook de jas werd ondersteboven uitgeklopt, maar die bleek verder niets gevaarlijks meer te herbergen. „We mogen wel heel dankbaar zijn dat jij op die rol terechtkwam — en niet op de vloer in al dat glas!” wees de volwassene hen op dat grote geluk bij Micha’s ongelukje.
Daar stonden ze nu, nog amper bijgekomen van de schrik, terwijl Micha met Hannies hulp zijn sjaal weer omgehangen kreeg en zijn jas aantrok. De bewoner van het huis hees de rol vloerbedekking weer overeind. Zijn voetstappen kraakten van het glas…
„Jullie kunnen mooi zingen,” merkte de man vriendelijk op, om iets kouders dan alleen maar glas te breken.
„We waren nog niet kláár,” mopperde Micha, die al snel door Ingmar van de werkelijke aard van de ‘hond’ op de hoogte was gesteld. „En nou is uw spiegel helemáál stuk,” voegde hij er schuldbewust aan toe.
„Daar kon jij niks aan doen, …Micha, toch?” verzekerde de man hem. Micha knikte hem dankbaar toe. Met een zucht en een blik op wat er van de spiegel in het houten raamwerk en op de grond overbleef, vertelde de bewoner van het huis: „Die spiegel is al oud. Hij heeft het altijd goed gedaan — mij weerspiegelen. En hij doet het nog steeds — te goed, misschien wel…”
„Huh?” fronsten Ingmar en de anderen met alle vier een niet-begrijpende blik op de ontelbare stukjes glas om hun voeten.
„Ja,” knikte de man, die nu meer tegen zichzelf dan tegen hen leek te praten. Het leek alsof hij door de restanten van de spiegel heen in het verleden keek, terwijl hij zei: „Vroeger was hij helder… toen werd hij langzaamaan steeds donkerder. Daarna kwam die barst. En nu dit: helemaal gebroken…” Hij zuchtte nogmaals en concludeerde: „Ja, hij doet het nog prima. Hij doet wat hij hoort te doen: hij weerspiegelt mijn leven…”
De kinderen stonden de man inmiddels met uiteenlopend gemengde uitdrukkingen van onbegrip en verbazing aan te staren. Hij sloot zijn ogen en schudde zijn hoofd, alsof hij zichzelf terugriep naar het heden.
„Hebt u dan iets gebroken?” probeerde Mirre haar beeldvorming verduidelijkt te krijgen. Onder opgetrokken wenkbrauwen openden de ogen van hun gastheer zich weer.
De kindervraag leek als een signaal te zijn opgevat in de hemel. Voordat de man kon antwoorden werden de rafelige flarden van de sneeuwbui door onzichtbare handen uiteengetrokken. Daar aan de zuidwestelijke horizon straalde heel even de zon, oranje in zijn gloed en gefilterd door nevelige wolkenranden, kale winterbomen en de nog niet uitgedanste sneeuwvlokken. De bijna vlak invallende lichtstralen gleden dwars over het dorp en zetten de hele veranda in een warm oranje, maar zacht speelse gloed. Tussen de balken en palen van de balustrade door ketste een aantal stralen af op de ontelbare spiegelscherven, waarmee de oneffen houten verandavloer bezaaid lag. Tussen de schimmelplekken in de wand naast de deur vielen zo honderden kleine en enkele grotere spelingen van het licht. Sommige waren scherp, andere wazig terwijl veel van de reflecties met elkaar samenvielen… Hoe dan ook, al die weerkaatste lichtstralen leken met de reeds aanwezige verkleuringen op de wand samen te vloeien tot een onmiskenbaar, maar wazig portret. De onverwachte afbeelding in licht en schaduwen hield de geboeide aandacht van de vijf ooggetuigen vast. Geen van hen zei iets of bewoog: alle vijf hielden ze de adem in…
Het moment vervloog; de lichtstralen vervaagden, evenals het verbluffende effect. De wolken trokken verder en schoven hun trage gordijnen weer voor de ondergaande zon. De schemering was onverwacht koud.
„Dat was… Dat leek wel…” stamelde Ingmar met een huivering, maar hij kon bijna niet geloven wat hij zeker wist en sprak het daarom maar niet uit. Hannie en Micha hadden minder remmingen.
„De Here Jezus!” fluisterden ze tegelijk, diep onder een eerbiedige indruk.
Mirre richtte haar aandacht nu op hun gastheer, bij wie ze nog steeds geen barst of breuk kon ontdekken. Ze zag hoe hij sprakeloos van de wand — de opnieuw eenvoudig kale, beschimmelde wand — naar de schijnbaar grillig verspreide scherven terugkeek.
„Hoe is het mogelijk!?” mompelde hij. „Al die scherven, lukraak op de grond… Ik heb er zelfs nog doorhéén gestampt! En dan tòch…!?” Hij keek omhoog naar de opnieuw dichtbewolkte hemel en uitte een verbaasd: „Dank U wel, Heer!”
Er klonken tranen in zijn stem door.
Vlak daarna klonken de vier kinderstemmen opnieuw. En de man, die in hun beleving géén trollenkoning meer was, zong met hen mee:
„…en Hij wenst dat ieder
tot Zijn ere schijn.
Jij in jouw klein hoekje,
en ik in ’t mijn!”



5 reacties

 
|

Geef een reactie