Wierwaarden
Door:

Categorie: Korte verhalen
Geplaatst op 19 mei 2018 | Bijgewerkt: 19 mei 2018 om 21:41 uur.
Woorden: 2247 | Leestijd: circa 9 min.
|

Eindeloos uitgestrekt waren de wierwaarden. Aan de zuidzijde van het eiland waren misschien wel de grootste wierbanken, maar ook noordelijk van het eiland lagen ze. Grote delen van de Zuiderzee vooral daar waar het ondiep was, waren begroeid met het zeegras. Rondom het eiland Wieringen, maar ook verderop bij Lutjeswaard, Robbenzand, de Moerwaard en de Westwal overal groene zeevelden. De visschuiten waarmee de Zuiderzee werd bevaren hadden zich in de loop van de tijd als vanzelf aangepast aan het wiervissen, maar ze waren te onhandig en te lomp. Aken waren beter geschikt voor dit werk. Ontdaan van de bun en ander overtolligheid was ruimte ontstaan voor de lading en was de aak geschikt voor de ondiepe delen van de Zuiderzee waar de wierwaarden werden opgezocht. Hun grootvaders hadden het wier nog op de oude wijze gevist. Gewoon, door met netten het los drijvend wier uit de zee te halen en als dat niet ging, werd eerst met harken het zeegras losgeharkt om het daarna aan boord te trekken. Later maaiden hun vaders het zeegras met de zeis en nog later trokken hun zonen zeismessen door scharnieren aan elkaar verbonden, met leren riemen over de bodem heen. Zwijgend en ongeschreven werd van generatie op generatie de traditie van het wiervissen voortgezet, met steeds betere techniek en met steeds hogere opbrengst. Tussen half tij en laag tij werden de aken de wierwaarden opgedreven en aan ankers stilgelegd. De maaiers gingen met hun broekleerzen het water in om met een zeis het wier te maaien. Het luisterde nauw, want de tijd was kort waarin de maaiers in het water konden staan. Het maaien werd tegenstrooms gedaan, zodat het losgemaakte zeegras achter de maaiers opgevangen kon worden en in de aak getrokken. Het groene natte zeewier deed de aak zwaar worden zodat geloosd moest worden. Het werk was vies en zwaar en het maaien in het water niet zonder gevaar, maar het leverde naast het vissen en de landbouw inkomsten op. Het waren bijvangsten, want het wiervissen was niet de belangrijkste bron van inkomsten voor de eilanders en er kon enkel in augustus geoogst worden.

Nadat het wier aan land was gebracht werd het uitgelegd en gedroogd. Na het drogen begon het verversen en ontzilten. Door voorzichtig met slootwater te spoelen kwam het zout eruit. Na het ontzilten begon opnieuw een langdurig proces van drogen en keren. Als laatste werd het wier in balen geperst, gereed om naar het vaste land gebracht te worden. Wier werd gebruikt als isolatiemateriaal, als vulmiddel en in de meubelindustrie. Maar wier werd ook gebruikt als dijk-versteviging. Wieringen kon met eigen wier het eiland beschermen tegen de oprukkende Zuiderzee. De dijken rondom Wieringen waren in vroege tijden voorzien van wiermatten die als ondergrond werden gebruikt. Het gaf het eiland een bijzonder gezicht omdat het wier de neiging heeft wit uit te slaan zodat vanaf de zee de dijken op witte krijtheuvels leken. Maar de zee is hardnekkig, de eeuwige golfslag en de getijden genadeloos. Het deed de dijken verzakken zodat uiteindelijk het wier vervangen moest worden. Alleen het wier in de zuidelijke dijk bleef bewaard. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de handel in wier moeilijk. De pachtprijs van de wierwaarden werden onbetaalbaar, de vraag nam af en de prijzen daalden. Na 1930 was het gedaan met het zeegras. Alles veranderde.

De Wieringers wisten dat het eiland oud was. Het in 1772 ontdekte oude kerkhof sterkte het vermoeden van eerdere bewoners. En dan waren er de overleveringen van verzonken gebieden zoals de dorpen Grebbe, Gonseind en Lammoer. Door de zee verzwolgen plaatsen die alleen nog een plaats hadden in onbestemde verhalen, die doorverteld werden van vader op zoon. Soms met een onderbreking als er een geslacht werd overgeslagen, maar daarna kwamen de verhalen terug, vaak met enige verandering. Eens werd tijdens het ploegen een spoor gevonden, een ring of iets dat leek op een speer. Soms een oude munt. Ook op het wad vlak bij Vatrop, zijn dergelijke sporen gevonden. Potscherven en andere gebruiksvoorwerpen. Tekenen van oud leven en van vroegere bewoning. Verwonderd werden de voorwerpen even vastgehouden en bekeken. Het bracht een vervlogen herinnering terug, een gedachte dat er tal van belangrijke gebeurtenissen achter zouden zitten. Misschien wel de gedachte dat Wieringen ooit vast zat aan het land en bezocht werd door vreemde volken uit het Noorden, maar deze gedachten waren te onvoorstelbaar, men kon er niet bij.

Gerrit Asjes hoorde de geluiden niet meer. De huilende wind die om het eiland draaide en het klokgelui van de tufstenentoren van Hippolytushoef meenam. Hij hoorde het geluid niet meer van het briesen van de werkpaarden die ‘s avonds vermoeid van het ploegen bij elkaar stonden in de weide. Maar ook het nieuwe ronken van de scheepsmotoren die al in sommige botters waren ingebouwd en zelfs het bekende geluid van de altijd rammelende fiets van de dorpsbode was te gewoon en hoorden tot de alledaagse geluiden die hij niet meer opnam. Het waren geluiden die bij het eiland hoorden, alsof ze er altijd geweest waren en altijd zouden blijven. De oostkant van het eiland had deze geluiden nog. Nog wel. De westzijde van het eiland ook nog wel, maar veel minder. Hier werden de vertrouwde geluiden vermengd met die van stortbakken, emmermolens met rammelende kettingen en neerstortende basaltblokken. Geluiden die hoorden bij het schouwspel van de grijpkranen die een einde zouden maken aan het eiland, omdat Wieringen door een dijk verbonden zou worden met Ewijcksluis. De geluiden van de oostzijde waren hem vertrouwd, de geluiden van de westzijde waren nieuw. Asjes wist dat de nieuwe geluiden iets van een nieuw tijd zouden inluiden, maar hij kon het zich nog niet voorstellen hoe dat zou zijn. Als alle inpolderingsplannen voltooid zouden zijn zou de Zuiderzee niet meer zou bestaan. En de visserij ook niet meer, want het zou gedaan zijn met de zeevis. En voor het wiervissen zou dat ook gelden, al waren er sommigen op het eiland die dachten dat het wier altijd zou blijven.

De westzijde van Wieringen verschilt van de oostzijde in hoogte. Aan de westkant was het eiland hoger. Zo hoog dat bij goed weer zelfs Den Helder te zien was. Het kleine langwerpige dorp Westerland lag samen met De Haukes het meest dicht tegen het vasteland aan. De dijk naar Ewijcksluis zou binnen enkele weken gereed zijn. De veerboot zou niet meer nodig zijn en de postschuit eveneens niet. Vanaf De Haukes was het met de postschuit een half uur op vol zeil.
Ze zaten bij elkaar zaten voor de boerderij van Wigbout. De dag was warm geweest voor de tijd van het jaar. Maar toen het werk gedaan was zochten ze elkaar op. Gerrit Asjes, Pieter Rotgans, Arie Wigbout en nog een ander. Rotgans en Asjer hadden beiden een leeftijd boven de tachtig jaar, ze hadden de hoogtij jaren meegemaakt van het wiervissen. De anderen waren jonger. Ze rookten en donken wat, soms druk pratend, vaak zwijgend, ieder met zijn eigen gedachten. Rotgans sprak het eerst, het was over een voorval in zijn jongenstijd. Het moet ruim zeventig jaar terug zijn geweest, hij was toen een jaar of tien. Ze waren aan het maaien. Dit keer langs de Westwal, maar er was tegenslag. Een sikkel brak af en verdween diep in het wier. Hierdoor kwam achterstand in het werk en toen de schuit eindelijk bijna vol was, brak er een dichte mist uit. De maaiers gingen door want ze wilden de schuit vol zien. Terwijl het water langzaam steeg werden de laatste krachten ingezet om het zeegras af te snijden met de scherpe zeis. De mist belette het zicht, zodat met een enkele schreeuw elkaars plaats in het maaiveld werd doorgegeven. Teus Vet ging voorop, hij was een boomlange vent. Zijn zeis was aangepast op zijn lengte en zijn krachten zodat hij een dubbele productie kon halen. In de dichte mist werd verder gemaaid totdat een scherpe rauwe gil en geschreeuw van pijn klonk over het water. Het duurde niet lang, want het geluid was snel gesmoord in het water, maar de mannen wisten genoeg om wadend en schreeuwend dichterbij te komen, aanvoelend dat er iets vreselijks gebeurd moest zijn. Ze zagen Vet leeg staren naar een net ontgonnen wierplek, om zijn machtig lijf sluiers van witte mist. Een angstaanjagend gezicht. Toen ze goed keken zagen ze hoe bloed het zeewater verkleurde. Vet had de benen van Hendrik Kroon afgemaaid, die daarna direct verdronk. Het geamputeerde lichaam werd met grote moeite uit het wier getrokken en in een zeildoek gewonden. Ze legden hem bovenop het zeegras in de aak. De beide benen werden met de stroming meegenomen en zijn nooit meer teruggevonden. Het was een noodlottig ongeval. Het had niet mogen gebeuren want Vet ging voorop en toch waren ze elkaar te dicht genaderd. De dichte mist bedekte alles. Een ongeval. En dat was de uitspraak van de onderzoeksrechter en daarmee was Vet vrijgesproken, maar iedereen wist dat Kroon en Vet al jaren in onmin met elkaar leefden. Over het voorval werd op het eiland nauwelijks meer gesproken. De mannen hadden zwijgend het verhaal van Rotgans aangehoord. Het was Wigbout die het gesprek een andere richting gaf. De zee zou, zo dacht hij, nu wel snel dicht gaan. Over enkele dagen zou de Zuiderzeeraad het eiland bezoeken. De minister zou er ook bij zijn. Hij sprak hiermee uit wat ze allen al wisten, het gesprek ging over op de zandkoliek. De gevaarlijke paardenziekte had al enkele paarden getroffen aan de oostkant van het eiland. Ook Wigbout had zorgelijk naar zijn dieren gekeken. In elk geval één van zijn paarden had een dikke onderbuik, het dier hand zand gegeten. Wigbout had ze op schrale grond laten gra-zen.

Het was uit nieuwsgierigheid dat Asjes en Wigbout die donderdag op 24 juli 1924 bij De Haukes gingen kijken. Het werk vorderde, het zou niet lang meer duren of de dijk was gereed. Komende dagen zou het laatste gat gedicht worden. Nu stonden twee dijkpieren nog tegenover elkaar, op slechts een tiental meters afstand. Het water deed nog een laatste poging om de dijkwering te voorkomen. Briesend en kolkend streed het water en perste zich tussen de dijkpieren. Op elk van de pieren stond een grijpkraan. Asjes en Wigbout keken toe hoe de grijpers de grote blokken steen verplaatsten en hoe met keileem holtes gevuld werden. Daarna liepen ze weer terug naar de haven van De Haukes en waren net op tijd om de Nepos te zien aanmeren met de Zuiderzeeraad aan boord. De Nepos was een salon-sleepboot en werd als ondersteuningsvaartuig ingezet voor de dijkwerkzaamheden. De Zuiderzeeraad had vanaf de Nepos de werkzaamheden geïnspecteerd. Asjes en Wigbout keken toe hoe de mannen zich hadden verzameld op het dek, maar er waren ook enkele vrouwen bij. De mannen hadden allen een hoed op en lange jassen aan. Het moest een belangrijk gezelschap zijn. Minister Colijn stond er tussen maar Asjes en Wigbout wisten niet welke persoon dat zou moeten zijn. Cornelis Lely was de bekendste persoon van het gezelschap. Lely was een bekende op het eiland, hij gaf leiding aan de inpoldering en had op het eiland de beschikking over een eigen villa. Het gezelschap werden omslachtig geholpen op de steiger en liepen druk pratend en wijzend naar de omgeving in de richting van de dijkpieren waar Asjes en Wigbout zojuist waren geweest. Beiden keken toe hoe de delegatie zich op de nieuw gestorte dijk begaf in de richting van de dijkpieren met de grijpkranen.

Duizelig van de zandkoliek, rende het paard onrustig de weg af. De gammele omheining van de hoeve van Wigbout had het gemakkelijk gemaakt om de weg te bereiken en het dier was in draf gegaan, de weg naar beneden naar de haven. Een knecht had nog geprobeerd hem tegen te houden, maar met een ruk van zijn trotse paardenkop werd hij afgeweerd. Waggelend alsof het dier op elk moment kon instorten liep hij verder. De weg naar beneden gaf het paard kracht en snelheid. Snel naderde het de haven en de haven en de nieuwe dijk. Wigbout herkende zijn paard onmiddellijk, hij schreeuwde. Het was een wonderlijk toeval dat iemand van delegatie toevallig omkeek en het paard zag naderen. Het kon het niet lang meer houden. Struikelend en bekschuimend liep het dier nog enkele meters verder. Het leek nog te twijfelen of het zou kiezen voor de zeezijde of de Amstelzijde, maar tenslotte stortte het dier voor de verbaasde ogen van de Zuiderzeeraad de dijk af, de Zuiderzee in en werd gelijk met de sterke stroming meegevoerd.

De afronding van de dijk ging sneller dan verwacht. Slechts weinigen waren er getuige van hoe de grijpers de laatste basaltblokken lieten zakken waarmee de dijkpieren met elkaar werden verbonden. De enkeling keek verbaasd toe en realiseerde zich op dat moment dat Wieringen geen eiland meer was. Het was een moment dat snel voorbij ging en de Wieringer courant zou er slechts een klein artikel aan wijden. De grijpers stonden nu niet meer op de dijkpieren, maar op verplaatsbare pontons. Voordat het laatste stroomgat gevuld kon worden met basalt werd eerst het wier verwijderd. Ook in het laatste te vullen gat zat zeewier. Gulzig grepen de stoomgedreven grijpers in het wier en trokken het gat leeg, maar de laatste volle grijper was zwaarder dan anders. Er zat niet alleen wier en zeewater in. Verbaasd keek de machinist naar het bruine paardenlijf dat gevangen zat in de grijper, bungelend boven het laatste stroomgat. De vier poten en de kop van het dier staken uit de grijper.



3 reacties

  1. Tjonge… een op meerdere manieren indrukwekkend verhaal/verslag, Scriben! Mijn complimenten, hoor! Ik heb het vol belangstelling geboeid zitten lezen!

    Je noemt zoveel namen dat ik mij afvraag in hoeverre dit geromantiseerd is — en waar de grenzen tussen feit en fictie dan wel lopen. Knap gedaan! 

    Zijn het "ongeluk" met die zeis en dat geval met dat paard gedocumenteerde voorvallen? 

    Misschien is het de moeite waard om de tekst nog even door te lopen op technische onnauwkeurigheden in de tekst die in de meeste gevallen volgens mij het gevolg zijn van tekstbewerking. Het gebruik van tegenwoordige en verleden tijd loopt hier en daar een beetje door elkaar, en zo nu en dan mist een letter of een woord. Geen opvallende dingen, maar wel nuttig om glad te strijken — als ik zo vrij mag zijn die suggestie te doen. 

    Het geheel voelt aan alsof ik naar de prettige vertelstem zit te luisteren, die een beeldpresentatie in het Zuiderzeemuseum begeleidt. Je verplaatst mij als het ware naar die tijd, naar die omstandigheden en dat doe je heel indrukwekkend.

    Nogmaals: complimenten! 

  2. Dank EsQuizzy voor je reactie. Ik merk dat het historisch verhalen mij goed past. In dit genre voel ik me thuis. Hierbij lopen feit en fictie inderdaad door elkaar heen. Ik laat dat ook maar gebeuren. Ben inmiddels bezig met een ander kort verhaal uit dezelfde omgeving. Maar het gaat langzaam… ik ben een zeer trage schrijver.

  3. Het is mijn persoonlijke ervaring dat fijn doen wat bij je past het beste werkt. 

    Ik kijk vol belangstelling uit naar je huidige project!

    En ‘traag’… och… Ik schrijf al meer dan tien jaar aan "Keiharde dromen". 

 
|

Geef een reactie